Sunday, October 26, 2008

Alien

Het zit de Nederlanders echt niet mee. Ze deden al wat zenuwachtig toen er bij ons stemmen opgingen om van Vlaanderen en Nederland één grotesk gemenebest te maken, iets waar ze weinig voordelen in zagen, tenzij dan de onvermijdelijke opwaardering van de Nederlandse horeca. Hun Zeeuwse mosselen leken met uitsterven bedreigd, de musical over André Hazes komt er maar niet (bij ons heeft Adolf Daens ook honderd jaar moeten wachten) en nu zijn er ook nog eens groene mannetjes gesignaleerd. En niet de groene mannetjes die de Zeeuwse mossel een hak wilden zetten, neen, groene mannetjes zoals in: ruimtewezens.

Een inwoner van Nootdorp was met een videocamera op wandel om vogels te filmen en dat was een meevaller. Want als de dorpeling zijn lens op pakweg knolgewassen of regenwormen had gericht, dan had hij nooit per ongeluk het voorwerp gezien – en gefilmd – dat hoog boven Nootdorp rondjes vloog. Niet dat er veel te zien is op het filmpje, al is het een hit op You Tube. Maar ja, daar is een slecht gefilmde goocheltruc met een bierviltje en een lege pint ook al gauw een monstersucces. Het niet geïdentificeerde voorwerp is volgens de filmer ook op tweehonderd meter afstand van hem boven het water komen zweven. Het geheugen van de camera moet dan net vol zijn geweest want daar zijn helaas geen beelden van – je zal het altijd zien.

Er wordt op het internet driftig gediscussieerd over de authenticiteit van het filmpje en dat is niet meer dan normaal. Van op zo’n afstand is werkelijk niet uit te maken wat daar in hemelsnaam uit de hemel tevoorschijn komt. Het kan een foutje in de opname zijn. Of een aalscholver die de dag voordien iets verkeerd heeft gegeten en een knallende wind door zijn cloaca perst. Raar dat niemand de belangrijkste vraag stelt, en dat zal ik dan maar doen – geen dank, ik moest hier toch zijn. Stel dat het om een verkenningstuig gaat van een buitenaardse beschaving. Waarom, waarom, waarom zou dat uitgerekend boven Nootdorp komen cirkelen? Een beschaving die ruimtetuigen kan bouwen maar zo slecht gebriefd is, dat is enorm beangstigend. U moet zich gewoon eens inleven in de Vlaamse voorstanders van de Grote Versmelting. Hoeveel daarvan hebben die gedachte verdedigd met als geheime agenda: dan zijn Van Gogh en Brood lekker ook van ons, en Freek en Youp en Hans, en dan zijn we ook nog eens samen met Nootdorp!

Ik heb het eens opgezocht. Er is niks in Nootdorp. Als de aliens daar werkelijk hun gedachten hadden op gezet, weten we meteen waarom we sinds dat filmpje niks meer van ze hebben gehoord. Ik zou niet graag de kapitein zijn die na deze verkenningsvlucht op de thuisplaneet verslag moet uitbrengen. “Eh… er staat een molen, een winkelcentrum en ze halen er frieten uit de muur… de enige robot die we hebben gevonden perst sap uit groenten…de mensen zijn er vriendelijk…” Daar helpt geen klingon strijdkreet bij.

Die Nootdorpers zijn sowieso al redelijk paranoïde. Tien jaar geleden vreesden ze daar nog dat ze door Den Haag zouden worden geannexeerd. Om een inval van de Haagse troepen te ontmoedigen, zijn de Nootdorpers en de buren van Pijnacker dan maar overgegaan tot een fusie. Je mag er niet aan denken wat hun strategie is als ze een invasie van aliens vrezen. Verzusteren met Kuttekoven, waarschijnlijk. We moeten op onze hoede blijven voor dorpen die een wijk achter het raadhuis herinrichten en die dan officieel Wijk Achter het Raadhuis noemen. Dat is pittoresk, maar een prik van een wesp is dat ook.

Gek dat buitenaardse beschavingen bij hun bezoeken aan onze planeet toch vooral in de rurale gebieden zijn geïnteresseerd. In de Verenigde Staten is het ook prijs: als er iemand op tv komt vertellen dat hij door aliens is ontvoerd is het nooit een verzekeringsagent of een bankbediende maar altijd iemand die voor een landbouwwerktuig moet poseren. En daar staat altijd een groot gezin rond van drie generaties waarvan iedereen precies dezelfde gelaatstrekken heeft. Misschien klopt het allemaal wel. Misschien krijg je die dollekoeienziekte omdat koeien regelmatig slijmerige wezens door hun weilanden zien kruipen die plots uit het hoge gras tevoorschijn springen en dan in drie talen vragen of ze hen naar hun leider willen brengen. Een mens zou van minder dol worden. Laat staan een koe.

Verschenen in De Standaard op zaterdag 25 oktober 2008.

Posted by Geert at 21:14:14 | Permalink | Comments (1) »

Poes wordt moe

De poes wordt oud en moe. Oud, dat weet ik omdat ik nog een beetje kan rekenen. Moe, dat weet ik omdat ze me daar de laatste tijd subtiel op wijst. Subtiel, dat wil zeggen: als het licht te lang aan blijft en ik mijn bed te laat opzoek, gaat ze luid jankend rond de stoel of zetel paraderen. Tot de flat in gezellige duisternis gehuld is. Mevrouw ziet toch in het donker. Dat gejammer werkt wel.

Op televisie hoor je katten wel eens lieflijk en vertederend miauwen maar mijn kat kijkt nooit naar televisie. Lieflijk zijn en vertederen is aan haar niet besteed. Mijn kat is strictly old skool. Zo’n gezellig spinnende schootkat, die de hele tijd kopjes geeft of geaaid wil worden, daar haalt ze haar kont voor op. Ik ben er zeker van dat als je haar flank scheert, dat er een tatoeage tevoorschijn komt. ‘Tot hier en niet verder,’ wellicht. Toen ik haar eens bij de dierenarts moest achterlaten, verwelkomde de man mij bij het afhalen met een pijnlijke grimas. Er zaten verse kleefverbandjes op zijn handen. “Het is nogal een karaktertje,” was alles wat hij zei toen ik informeerde of alles goed was verlopen. Waarna hij verhuisde zonder een nieuw adres achter te laten. Ik wil maar zeggen: old skool.

Ze is er dol op dat er bezoek komt, omdat ze dan ergens ver weg kruipt waar ik haar niet kan onderuit halen. De enige manier waarop gasten kennis kunnen maken met de poes is haar volstrekt negeren. Dan komt ze na een tijdje wel onder een zetel uit gekropen en speelt ze haar favoriete spelletje. Ze verspreidt een verdachte vanillegeur, beweegt haar schouders en rug zo sierlijk dat ik haar ervan verdenk stiekem toch wel eens naar televisie te kijken, en kijkt de bezoeker aan met een blik die een tienermeisje prompt een maand kamerarrest zou opleveren. Ze maakt daarbij geluiden die bezoekers geheel verkeerdelijk vertalen naar: ‘Neem mij eens van de vloer op, streel mij eens, knuffel er op los’. Terwijl ik al lang weet dat wat ze zegt, veeleer mag worden vertaald als: ‘Raak mij aan en dan mag ik de botjes in je vingers eens van dichtbij bekijken’. Ik probeer dan wel uit te leggen hoe het zit maar keer op keer gaat iemand toch door de knieën, daar komt dat kopje al, daar gaat die hand, dan wordt mevrouw gestreeld en hoor ik het immer triomfantelijke: “Zie je wel, zie je wel! Zo’n lieve poes…” En dat signaal herken ik.

Dat wordt onmiddellijk gevolgd door een flinke uithaal van een voorpoot waarna niemand zich nog afvraagt of het waar is dat katten hun nagels naar believen kunnen intrekken en spreiden. Terwijl de kat al lang weer op haar geliefkoosde schuilplek maft, sta ik dan gewoonlijk naast het slachtoffer bij de wastafel en reik ik wat ontsmettingsspray aan. Veel meer dan  “het is nogal een karaktertje” weet ik dan ook niet te zeggen.

Wat heeft de mens ooit op het idee gebracht om katten te proberen domesticeren? Van paarden kan ik het wel begrijpen. Zelf karren voorttrekken, dat gaat vervelen na een tijdje. Van honden begrijp ik het ook. Die waren handig voor de kleinere karren, ze konden helpen bij het jagen en bleken goede wakers. Ik begrijp het zelfs van duiven. Die kon je met een brief op pad sturen en dat ging direct van prior. Maar katten!

Aan een kat heb je niets bij de jacht. Je kunt proberen een poes naar een hert te gooien en hopen dat ze zo te keer gaat dat het hert er van pure ellende bij gaat liggen, maar als je zo jaagt kun je maar beter vegetariër zijn. Een poes een karretje laten trekken slaat ook nergens op, tenzij je dat karretje tot het einde der tijden van kasten en onder zetels vandaan wil halen.

Het schijnt dat ze ooit handig waren als bestrijder van ongedierte en muizenvangers. Dat moeten fabeltjes zijn. Een moderne kat vangt geen muizen. Een moderne kat lust geen muizen, zelfs al vang je ze zelf en laat je ze een nachtje marineren voor je ze opdient. Niet dat ik dat ooit heb geprobeerd, natuurlijk. Toch geen twee keer.

Een kat in huis halen, dat is een beetje zoals een kind willen, maar die leuke jaren van als ze klein zijn over te slaan, en meteen te gaan voor eentje die van het begin tot het einde een weerbarstige puber is. Het zijn eigenzinnige, nukkige krengen. Ik zou ze niet gemakkelijk kunnen missen.

Verschenen in De Standaard op zaterdag 4 oktober 2008.

Posted by Geert at 21:11:44 | Permalink | Comments (2)

Thursday, September 25, 2008

Daar sta je van te kieken

De interviewer slikt even en vraagt aan de Nederlanders die in Gent “Vergeten Straat” op scène zetten: “Hoe komt het eigenlijk dat Nederlanders geïnteresseerd zijn in Boon?” Die schreef over Aalst. Over straten in Aalst. Over huizen in straten in Aalst. Oké, laat hem dan de enige naoorlogse Vlaamse schrijver zijn die ooit écht in de running was voor de Nobelprijs, maar: iemand die in een zijstraat woont van zo’n straat heeft daar toch al niets meer aan? Laat staan een Nederlander!

 Verbazing bij de Nederlanders. Eh… waarom zouden wij niet geïnteresseerd zijn in Boon? Maar de interviewer laat niet af en boort meteen zijn volgende vraag mijn ochtend in. “Er komt zelfs een straatfeest rond deze productie. Wordt Boon nog populair?” Ik hoor twee Nederlanders omvallen. Als de actrice gereanimeerd is, vraagt ze hijgend: maar is Boon dan niet populair? Ik vermoed dat de interviewer nu samenzweerderig lacht maar op de radio merk je zoiets niet. Hij heeft overigens nog een vraag: “Boon schrijft nogal Vlaams. Verstaan jullie dat eigenlijk wel?” Ook de tweede Nederlander is ondertussen bijgekomen en mompelt iets dat ik niet goed kan verstaan.

De laatste tijd worden wij bestookt met tekenen dat we compleet overhoop liggen met onze eigen taal en cultuur. We weten op de duur echt niet meer wat we daarmee moeten beginnen. De tijd die we doorbrachten onder de kerktoren, lijkt stilaan nog onze meest avontuurlijke periode. We zijn zodanig in onszelf gekeerd dat het belachelijk wordt. Als er in pakweg Edingen een verkeersongeval gebeurt en één van de slachtoffers ligt met een been over de taalgrens, schrijven we er al niet meer over. Als er een Nederlander op de televisie komt slaan we aan het ondertitelen zodra hij “nou” zegt. En Nederlandstalige popmuziek op de radio willen we ineens met quota regelen, omdat het er allemaal blijkbaar niet meer toe doet of iets deugt of niet – iemand kweelt wat in het Nederlands en dat moet dan maar gedraaid worden. Dat je de radio niet kan aanzetten of je wordt bestookt met de dertiende b-kant van Bart Peeters doet niet terzake. Natuurlijk wordt lang niet elke Nederlandstalige plaat zo uitgebreid gespeeld als De hemel in het klad. Maar dat ze al wekenlang niet van de radio weg te branden is, bewijst wel dat de Nederlandse taal je kansen op airplay (pardon) niet echt verkleint.

Ons meest recente taalgrapje, of moet ik graptje zeggen, is de actie eigen tolk eerst in Brugge. Iemand ontdekte dat allochtonen moeite hadden om in de stad te communiceren omdat ze wel Nederlands kunnen spreken maar geen West-Vlaams. Dat is natuurlijk een probleem en de oplossing die daarvoor werd bedacht slaat werkelijk alles: laten we die allochtonen ook maar wat Brugs leren. En het klonk nog heel even sympathiek ook. Je kon al cursussen zien op televisie waar een Oezbeek, een Nigeriaan en een Romafamilie samen over de grond rolden van de pret toen ze hoorden waarom die Bruggelingen het voortdurend hebben over ‘gemoetnekeerkieken’ terwijl er nergens een kip te bespeuren valt.

Ik ben zelf nooit te beroerd geweest om een taal te leren om mij elders een beetje te kunnen uitdrukken. Ik heb zelfs nog Esperanto geleerd als tiener, hoewel ik bijna zeker was dat ik nooit naar Esperanza op reis zou gaan. Ik kreeg een stapeltje platen thuis, maar het enige dat ik me van die taalcursus herinner is “ausculta i repeti”, Esperanto voor ‘luister en herhaal’. Enfin, dat denk ik toch, want het is alweer een hele tijd geleden dat ik met Esperantezen op stap was.

Ik denk niet dat je elders in de wereld een openbaar toilet kunt vullen met mensen die er fier op zijn dat ze hun moedertaal niet beheersen maar hier krijg je er gemakkelijk een stadion mee vol. Dan kan je daar evengoed meteen een optreden van de Fixkes organiseren, of één van die andere groepen die zich van een dialect bedient ‘omdat ze zich daarin veel beter kunnen uitdrukken dan in het Nederlands’. Dat is een wat omfloerste manier om te zeggen: wij spreken onvoldoende goed Nederlands om ons verstaanbaar te maken. Toen er dertig jaar geleden wel eens kritiek kwam op Nederlandstalige artiesten die in het Engels zongen, konden die tenminste nog uitleggen dat ze in het buitenland ook begrepen wilden worden. Nu is het de normaalste zaak in de wereld om te zingen in een taaltje dat een dorp verder al van ondertitels moet worden voorzien.

De Fixkes drijven op nostalgie. Wel, ik ben ook nostalgisch. Ik verlang terug naar de tijd dat je een taal nog gebruikte om te communiceren, dat je zocht naar woorden die andere mensen verstaan. Dat was leuker dan vandaag. Ik word niet vrolijk van al die ettertjes die er prat op gaan zich te bedienen van woorden die ze moeten uitleggen. Dat is geheimtaal, dat is schrijven met onzichtbare inkt in de speeltijd.

Waarom gaan ze in Brugge niet meteen een stap verder en delen ze bij de stadgrenzen pictogrammen uit zodat iedereen daar vlot kan boodschappen doen. Bij de bakker kun je dan kiezen of je het plaatje toont met een groot grof gesneden of dat met een stokbrood, bij de slager een tekening van een kwartje kilo salami… En iedereen mag meedoen met een wedstrijd: wie het leukste pictogram ontwikkelt voor “zet joen vanachter”.


Verschenen in De Standaard op zaterdag 20 september 2008.

Posted by Geert at 21:10:17 | Permalink | No Comments »

Sunday, August 24, 2008

Den bouw

Al de hele maand steekt Roel de handen uit de mouwen en hij voelt zich beter dan ooit. Roel is de zoon van vrienden van mij en hij heeft net werk gevonden in de bouwsector. Hij begint daar onderaan de ladder, dus ik hoop dat hij die veiligheidshelm niet afzet. Maar onderaan de ladder moest echt wel - aan leren heeft Roel immers altijd een broertje dood gehad en de tiener barst bepaald niet van de diploma’s. Dat kan hem weinig schelen, dat kan ik u wel vertellen. Helpen bouwen heeft hem altijd aangetrokken en hij is niet te beroerd om zich in het zweet te werken. Hij ziet zich best wel hogerop komen in ‘den bouw’, en zolang zijn carrièreklim hem niet weghaalt van de werf, mag dat van Roel.

Mijn vrienden zijn daar niet ongelukkig mee. Ze zijn natuurlijk blij dat Roel eindelijk iets heeft gevonden dat hem van het leven heeft leren houden. Maar ze kijken er toch van op. Zij hebben allebei gestudeerd en hun jobs liggen in het verlengde van hun studies: twee keurige, goed betaalde functies vol uitdagingen in hippe takken van het bedrijfsleven. Het zijn schrandere, pientere mensen die hun intelligentie als hun hoogste goed beschouwen en als ze heel even niet hadden uitgekeken, vandaag intellectuelen waren geweest.

Van Roel hadden ze wellicht hetzelfde gehoopt. En Roel is verstandig en pienter, net als zij. Dus daaraan kan het niet liggen. Maar een job in de bouw, onderaan de ladder, dat is echt niet wat zijn ouders hadden gedroomd. Ze vrezen een beetje dat het afstompend werk is en dat het weinig zoden aan de dijk brengt op LinkedIn.

Nochtans hadden ze het kunnen zien aankomen. Hij zat als kind de hele tijd met Legoblokjes te spelen, waar hij verbluffend getrouwe huizen mee bouwde. Kastelen en ruimtetuigen en treinen, daar moest je bij Roel niet mee aankomen. Autootjes dan weer wel maar die waren slechts voor één ding geschikt: om er zodra Roel de kans zag een garage rond te bouwen. De citaten van Marcel Proust en de hoofdstukken van Noam Chomsky die zijn ouders zo onopvallend mogelijk overal lieten slingeren, daar keek hij niet naar.

Ik heb nooit goed begrepen waarom sommige mensen een lage dunk hebben van bouwvakkers. Misschien moeten de mannen van de bouw inderdaad wat minder vaak met de bovenste helft van hun achterwerk bloot lopen,  maar bouwen, dat moet toch iets fantastisch zijn? Naast onze redactie wordt een groot gebouw opgetrokken, en af en toe zie ik door het raam iets van de vooruitgang van de werken. Ik ben een onhandige kluns, voor wie de eenvoudigste klussen zich voordoen als een kletterende orgie van geheimen en mysteries. Leer mij drie eenvoudige manieren om een muurtje recht te bouwen en ik geef je op een briefje dat ik er ’s anderendaags een scheve bouw, wellicht volgens een vierde methode die ik ongewild zelf heb uitgevonden. Als ik dan kijk naar dat op het eerste gezicht zware, maar beheerste werk, waarbij al die stenen op elkaar langzaam aan muren vormen, dan vind ik dat echt wel iets hebben.

Ik kijk er elke morgen eens naar, en elke avond voor ik naar huis ga. Het is altijd mooi om wat verschil te zien. De vader van een vriendin van me heeft altijd in de wegenbouw gewerkt en de glorietijd van de autosnelwegen nog meegemaakt. Als die man eens met het hele gezin naar de kust reed, kon hij overal stukken snelweg aanwijzen waaraan hij had meegewerkt, en bruggen die hij had helpen bouwen. Nu kom ik wel eens mensen tegen die iets van mij hebben gelezen en zich dat herinneren, en daar geeneens ruzie over willen maken. Maar over een brug rijden die je zelf hebt gebouwd? Dat lijkt me toch nog van een ander kaliber.

Neen, ik zeg het graag: hoed af voor de mensen van de bouw. Tenzij het een veiligheidshoofddeksel betreft, uiteraard.

(verschenen in De Standaard op zaterdag 23 augustus 2008)

 

Posted by Geert at 21:37:13 | Permalink | No Comments »

Tuesday, July 29, 2008

Snelweglezen

“Overheidscampagnes! Een leuk initiatief!” Dat is zo ongeveer de enige lulkoek die ik nog niet ben tegengekomen op een plakkaat naast de snelweg. Daar moet je de andere auto’s in de gaten houden, de kinderen op de achterbank onder de decibelgrens dwingen en luisteren naar de dingdong verkeersinformatie dingdong – niet de reclamepanelen waar je voorbijrijdt proberen te lezen.

Wie heeft het eigenlijk ooit in zijn hoofd gehaald dat die borden een verschil kunnen maken? Als een flitspaal snelle chauffeurs nog niet op de rem doet staan, waarom zou een grote affiche met daarop “Zware voet?” dat wel doen? Worden snelheidsduivels soms liever intellectueel uitgedaagd? Zou het dat zijn? Wie weet wat er achter zit. Ik ken iemand die regelmatig op snel rijden wordt betrapt. Die is al een paar keer haar rijbewijs kwijtgespeeld en ik weet uit goede bron dat de herstellingswerken aan het dak van het paleis grotendeels van haar boetes konden worden betaald. Die vervloekt zichzelf elke keer weer als het opnieuw gebeurt en denkt wellicht iedere ochtend eerst aan ‘misschien ietsje minder hard scheuren vandaag’. Ik kan me echt niet voorstellen dat ze op een mooie zomerdag de boodschap “Rij trager!” leest en prompt een snelheidsbegrenzer installeert die La Esterella speelt zodra je over de 70 gaat.

Vaak zijn die snelwegcampagnes niet eens stompzinnig gemaakt, maar is het gewoon stompzinnig dat ze er zijn. Meestal vragen de borden ons heel beleefd of we alstublieft het verkeersreglement niet zouden willen volgen. Dat is nogal protserig. Het verkeersreglement is bij uitstek het deel van de wetgeving waar niemand zich benadeeld door hoeft te volgen. Iedereen gelijk voor de wet is het motto van het verkeersreglement. Als u van rechts komt moet die grote dikke Bentley ook stoppen. Zelfs al rijdt u in een andere grote dikke Bentley. De verkeersregels respecteren klinkt saai en ruikt naar mottenballen, maar het leidt er wel toe dat het verkeer veiliger wordt. Voor wie dat nog geen goede reden vindt, schuilt er toch nog een flinke aanmoediging in het systeem van verkeersboetes. Erg simpel: hoe minder overtredingen je begaat, hoe meer je van je wedde overhoudt. Geniaal in zijn eenvoud. Iedereen kan dat verstaan.

Je kunt moeilijk blijven volhouden dat flinke boetes uitdelen bij het overtreden van het verkeersreglement een vorm van repressie is. Uiteindelijk verplicht je daarmee de mensen om zich veiliger te gedragen zodat anderen en zij zelf een grotere kans te maken om zonder kleerscheuren of deuken thuis te komen. Thuiskomen in één stuk, dat is een goede zaak. Zoiets hoort op goedkeurend gemompel te worden onthaald. Zelfs op de ledenavond van voetbalploeg FC De Vrienden Van Jean-Marie Dedecker moet enig instemmend geknik tot de mogelijkheden behoren.

Neen, die campagnes hoeven echt niet. Uiteindelijk informeren ze zelden of nooit. Wat er op staat is altijd een variant op “De verkeersregels! Probeer ze eens!” Bij misdrijven of misdaden doen we dat toch ook niet? Kunt u het zich voorstellen? Een billboard in een buitenwijk met de slogan: “Inbreken? Daar doen wij niet aan mee!” Waar houdt zoiets op? “Moord en doodslag: een slechte zet voor uw carrière!” of “Verkrachting? Doortje zegt foei!”

We mogen het niet, we weten dat we het niet mogen doen en als we het toch doen mogen we afdokken. Zoiets krijg je zelfs uitgelegd aan (vul zelf uw favoriete domoor in). Geef dat geld van die miljoenencampagnes liever aan de verkeersslachtoffers.

Dit gezegd zijnde, meneer de voorzitter, herinner ik u toch graag aan de goede toestand van het wegdek, mijn onbesproken staat van dienst, en de overzichtelijkheid van de weg op de plaats waar ik geflitst ben. Ik hoop dat u daarmee rekening wil houden bij het vellen van uw vonnis.

 

(column verschenen in De Standaard op zaterdag 26 juli 2008)

Posted by Geert at 08:00:49 | Permalink | No Comments »

Monday, July 14, 2008

Rietjesman

Er zijn van die mensen bij wie het uitkijken geblazen is zodra ze hun mond opendoen. Meestal hou je dan je hart vast omdat ze altijd wel iets zeggen dat ongepast, ordinair, beledigend of stom is. Voorbeelden daarvan geef ik niet maar u komt vanzelf op de goede weg als u een zin maakt waarin de woorden Hilton, manieren en Paris voorkomen.

 

 

Maar ene Michel uit Hasselt slaat alles. Als die zijn mond opendoet, steekt hij er rietjes in. Niet dat Michel zo’n watje is dat cola drinkt met twee of drie rietjes, omdat één rietje misschien wel verkeerde informatie over zijn status geeft. Neen, Michel blijft rietjes in zijn mond steken. Het ene na het andere. Tot hij met 266 rietjes in zijn mond zit en die bek zo klem raakt dat hij zelfs niet meer “Hier! Ik! Hier!” zou kunnen antwoorden als een fraai gevormde bloedmooie actrice de kamer zou enteren en uitroepen: “Ik ben Eva Longoria, die hete Latijns-Amerikaanse uit Desperate Housewives, en ik kan het moeilijk uitleggen maar ik verlang nu al een week of twee naar stomende seks met ene Michel uit Hasselt. Is die hier?”.

Dergelijk offer brengt een mens niet zomaar en de rietjesman doet het ook niet voor niets. Hij liet een deurwaarder opdraven die de rietjes moest tellen en vervolgens veel officieel papierwerk mocht verrichten om ervoor te zorgen dat Michels prestatie wordt opgetekend in de volgende editie van het Guinness Book of Records. Dat maakt alles nog moeilijker te snappen. Dat je ertoe in staat bent om in je vrije tijd te oefenen om je mond zo ver te rekken dat er 266 rietjes in passen, dat is één ding. Maar dat je ook nog wil dat anderen daar achter komen? Je zou toch denken dat dergelijk gedrag eerder past in het rijtje van winden laten in liften, masturberen, en vinden dat Without You beter wordt gezongen door Mariah Carey dan door Harry Nilsson – daar is niets mis mee, maar je praat er niet over aan tafel.

Het record van het eerste onnozele record in het Guinness Book of Records heeft Michel niet gebroken, want het boek staat er vol van: jongleren met kettingzagen, om het verst een speelkaart werpen, of het meeste bowlingballen op elkaar stapelen (zonder hechtingen!).

Het is op zo’n moment dat je de warme, diepe trailerstem mist van Paul Jambers die de enige juiste vraag zou stellen: recordbrekers, wie zijn ze, wat drijft hen, hebben zij vrienden?

Die recordbrekers hebben ook familie. Ik kan me voorstellen dat je op een dag opstaat en denkt: een Zwitser heeft 264 rietjes in zijn mond gestopt en is zo in het Guinness Book of Records geraakt. Ik wil beter doen! Maar hoe ga je daarmee om als liefhebbende echtgenote? Hoe moet het verder met de kinderen? In elk gezin steken skeletten in de kleerkast maar je wilt toch niet op de speelplaats hoeven uitleggen waarom je vader zich toelegt op de kunst van het zo veel mogelijk ballonnen doen springen in één minuut.

Ik denk altijd dat dergelijke recordpogingen een sluimerende oorzaak van veel leed zijn. Je leest wel eens over familiedrama’s. Dan heeft een vader pakweg een geweer gegrepen en daarmee vrouw en kinderen en de hond doodgeschoten en vervolgens geprobeerd om zelfmoord te plegen door zich herhaaldelijk met een zakje chips tegen het hoofd te slaan. De kranten staan dan vol met commentaren van lichtelijk in shock verkerende buren die altijd weer hetzelfde verhaal vertellen. “Hij was een opperbeste kerel, we hoorden nooit ruzie, het leek een heel gelukkig gezin, we hadden nooit gedacht dat hij ooit een geweer zou grijpen en daarmee vrouw en kinderen en de hond doodschieten.”Kijk eens na of een van ’s mans ouders niet in het Guinness Book of Records heeft gestaan, denk ik dan altijd. Want dat moet toch iets doen met een mens.

Niet in het gezin van de rietjesman, kennelijk. Die vertrouwde de pers toe dat iedereen in zijn gezin de recordbrekerskoorts te pakken heeft. En waarom zouden we hem niet geloven? Ik ga alvast niet in discussie met een man die 266 rietjes in zijn mond heeft. De zoon van de rietjesman houdt het Limburgs record muntstukken tussen de tenen steken (37) en de vrouw van de rietjesman wil het snelheidsrecord banaan eten verbreken. Rietjesman zelf wil nu het record jongleren met eieren doen sneuvelen en dat is maar goed ook, want opeten lukt toch niet met een scheur vol rietjes.

Het zal allemaal wel goedbedoeld zijn en onschuldig. Maar als er binnen een paar jaar in een leuke Limburgse woonwijk een lijk wordt gevonden dat is doorboord met 266 rietjes, hoop ik toch dat de een of andere pientere politiemens even gaat googelen op records. 

 

(verschenen in De Standaard op zaterdag 12 juli 2008)

Posted by Geert at 21:42:45 | Permalink | Comments (1) »

Thursday, June 26, 2008

Het juiste woord

Er zijn maar een paar mensen die ik niet graag tegenkom op een receptie en helaas zijn ze er altijd. De verwarde geest die je er vijf minuten lang van probeert te overtuigen dat je samen met hem heb op school hebt gezeten, en er dan ineens achterkomt dat hij je voor iemand anders heeft aangezien. De luidruchtige brulboei die bij elk vermoeden van een grap zo luid gaat lachen dat de toastjes ondersteboven gaan liggen van pure schrik. De onverlaat die op een eenvoudige, beleefde vraag als ‘hoe maakt u het’ antwoordt met een opsomming van de jongste drie huidziekten waarvan hij het slachtoffer is geweest. En daarvan foto’s mee heeft. En de winnaar van de gouden medaille: de flurk (m/v) die met dertien meningen binnenkomt en als die naar huis gaat zijn ze allemaal op.

Gelukkig is deze laatste gemakkelijk te herkennen. Er staat altijd een groepje rond dat almaar kleiner wordt. De eerste die zich losmaakt van de ergerlijke prater heeft het gemakkelijk. Even iets mompelen dat klinkt als ‘excuseer’ en verdwijnen in de richting van de toiletten doet het al. De tweede en de derde redden zich ook wel. De ene kan doen of er een pit in het verkeerde keelgat is geschoten en de andere kan hem, hevig tussen zijn schouderbladen timmerend, wegsleuren naar iemand die wél het Heimlich-maneuver kent.

Maar wie zich verslikt in de praatvaar is eraan voor de moeite. Laatst raakte ik op een receptie ingesloten in een groepje met zo’n weetal die meteen boven het geroezemoes gaat uitsteken. Hij was overduidelijk de minst politiek correcte van ons vijftal en slaagde erin het gesprek altijd opnieuw af te leiden naar zijn geliefkoosde onderwerp: de zigeuners. Af en toe zong hij er de lof van, zodat hij niet meteen van racisme kon worden beschuldigd, maar dat was louter een list. Zodra hij daartoe kans zag, deed hij het gesprek overslaan naar grove veralgemeningen en dan bleek al gauw dat hij de overtuiging was toegedaan dat iedere zigeuner geboren wordt met één hand in de zak van iemand anders. En dat hij niet snapte dat je zomaar met vijftig woonwagens een braakliggend terrein op rijdt en dan zeurt dat er geen douches of hot spots zijn. Technisch was de man niet erg onderlegd. Toen hij zich hardop afvroeg “waar die gasten zonder huis dan wel hun gsm’s konden opladen” en iemand voorzichtig suggereerde dat zulks wellicht geen probleem is in een moderne woonwagen, barstte hij uit in hoongelach en vroeg waar ze die woonwagens dan wel konden opladen.

Nu verbaasden de uitlatingen van de man mij niet, en eerlijk gezegd begreep ik ook wel waarom niemand van ons groepje enige moeite deed om de man tot andere inzichten te brengen of op zijn minst wat gevoel voor nuance bij te brengen. Het leek niet het type dat vlug bijleert en het was tenslotte voor ons allen een avondje vrij. Wat mij wel verbaasde, is dat niemand er ook maar een opmerking over maakte dat de kerel het woord zigeuner niet één keer juist uitsprak. In plaats daarvan had hij het de hele tijd over zineugers. Een beetje spellingchecker onderstreept dat meteen met rood maar op een feestje ben je voor zoiets toch afhankelijk van een beleefde wenk van een goedmenende gesprekspartner.

De eerste keer dat je het hoort denk je dat het een verspreking is, en laat je de mantels der liefde al aanrukken, maar na een paar keer dringt het door: hij zegt écht altijd zineuger! En na enkele keren wordt het gewoon gênant om er nog iets van te zeggen. Want dan gaat zo’n gozer zich natuurlijk afvragen waarom je daar niet eerder iets van hebt gezegd.

Ondertussen kwam ik ook achter de ware reden waarom de spreker nooit werd tegengesproken of gecorrigeerd. Zijn andere toehoorders stonden daar al een paar minuten met een rode kop hun lach in te houden. Telkens als iemand een goede smoes klaar had om het gesprek te verlaten, zei die kerel weer zineuger in plaats van zigeuner, en dan was het weer een kwestie van bijten op je tong tot het overging.

Ik probeerde nog om hem discreet op het juiste spoor te zetten, door zelf in de fout te gaan. Dan zei ik ‘antuurlijk’ en ‘zeker en vats’ in de hoop dat zulks zijn hersenen zou rebooten zonder dat hij er zelf iets voor hoefde te doen – sommige mensen zijn de grootste vijand van hun eigen hersenen – maar het werkte niet. Onze beleefdheid bleef niet duren. De kerel bracht zichzelf de genadeslag toe. “Maar ja, ik zeg zineuger. En dat moogt ge niet eens zeggen! Ha ja?” riep hij ineens. Wij keken elkaar aan. Was het eindelijk tot hem doorgedrongen? Maar neen, hij hielp ons meteen uit de droom. “Ge moogt dat niet zeggen, zineuger! Hah! Neen, ge moet roma zeggen!” Waarop de ene deed of hij een lens was verloren, een andere wuifde naar een denkbeeldige kennis aan het andere eind en er heen stoof, en ik samen met de rest helaas alleen nog in lachen kon uitbarsten. Niet dat de kerel dacht dat we hem uitlachten, want hij lachte hartelijk mee en proeste: “Ja, belachelijk hé? Roma!” Ik ben weggerend voor hij eraan kon toevoegen dat Roma ook een merk van frituurhapjes was. Mensen uitlachen doe ik niet graag. Dat zijn geen namieren.

 

(verschenen in De Standaard op zaterdag 21 juni 2008)

Posted by Geert at 07:41:50 | Permalink | No Comments »

Saturday, June 7, 2008

Dat toontje

Hou het onder ons, maar er is niets mis met een vriendelijke stem die je op een keurige, zakelijke toon iets interessants meedeelt. Dat voorrecht wordt ons evenwel zelden gegund. Niet dat ik er op kick om aan de telefoon te worden afgeblaft als ik een helpdesk bel of ergens anders mijn oor te luisteren leg. Neen, ongelikte beren en gestampte boeren kunnen mij gestolen worden. Niet getreurd: dezer dagen krijgen we hoe langer hoe meer te maken met het andere uiterste.

 

Mensen die om den brode andere mensen telefonisch moeten opvangen of ter wille zijn, wordt tegenwoordig aangeleerd dat ze alle klanten met een ongebreidelde empathie en uiterst zalvende en minnekozende fraseringen te woord moeten staan. Het resultaat is een onhebbelijk toontje dat neigt naar ongewenste intimiteiten en ik krijg er de kriebels van.

Je hoort het ook overal. Zelfs als er vandaag iemand op de radio wordt geïnterviewd, en al helemaal als het gaat om iemand die niet echt tot het publieke leven behoort. Dan hoor je wel eens dat de interviewer zich van dat toontje bedient. Pas op, gemakkelijk kan dat niet zijn. Je hoort dan de vraag: “En hoe voelde dat aan, toen uw ouders uit elkaar gingen tussen het hoofdgerecht en het dessert op uw communiefeest?” maar eigenlijk klinkt het als “u moet niet bang zijn want u bent hier bij ons fijn op de radio en wij zien u allemaal heel graag en zolang u maar op uw gemak bent en niet denkt dat er luisteraars zijn die nare dingen over u kunnen denken blijven we hier gezellig babbelen”. Kent u die tekstballonnetjes uit Asterix? Telkens als Obelix een beetje wil flemen of paaien is de rand van het betrokken tekstbelletje omkleed met lieflijk ogende bloemen. Dát toontje dus.

Als iemand mij op de autoradio komt vertellen waar de files staan en hoe lang ze zijn, hoeft dat echt niet te gebeuren op een toontje dat ik alleen passend vindt wanneer de spreker mij tegelijk inzeept en mijn tenen masseert. Beleefd en zakelijk, dan zijn wij al lang blij.

Zeker aan de telefoon, wanneer je gewoon inlichtingen wil vragen of een afspraak maken voor een of ander bezoek. Zo kwam ik een paar dagen geleden thuis en stond er iemand van een telefoniebedrijf op het bandje – laten we het T. noemen. T. exploiteert de lijn waarmee ik voor de buitenwereld toegankelijk blijf en de vraag was of ik eens kon terugbellen, want mijn telefoonmodem was aan vervanging toe. Dat geloofde ik meteen, want dat modem is gemaakt van bakeliet en heeft nog een zwengel en een schoorsteen.

Dus ik bel T. terug en krijg een meisje aan de lijn, laten we haar Gladje noemen. Geen kwaad woord over Gladje, ze was vriendelijk en heeft mij erg goed geholpen. Maar daar had je dat toontje weer! Ze sprak mij toe met een stemgeluid dat gemaakt is om huwelijken op de klippen te doen lopen. Gladje zat aan een bureau met veel formica en een computer, heb ik uit goede bron vernomen, maar dat was er absoluut niet aan te horen. Neen, Gladje sprak mij toe alsof ze in een licht pruttelende jacuzzi zat, met een blote voet balancerend op de rand en af en toe nippend van een cocktail waarvan minstens twee ingrediënten alleen in de betere delicatessenzaak te vinden zijn. Een handvol geoliede herenslaven stonden haar met palmbladeren koelte toe te wuiven en Sfinkske, de naaktkat met stamboom, lag te spinnen op een kussen van Dries Van Noten. Gedempt op de achtergrond hoorde ik een zwoele saxofoonsolo maar het kan zijn dat ik me dat heb ingebeeld. Op een toon die dan en alleen dan vanzelf mag komen, informeerde ze me over mijn modempje dat echt wel toe was aan een gratis vervanging door een nieuwtje, en dat we gezellig samen een dagje zouden kiezen dat geschikt was en dan een afspraakje zouden maken zodat een medewerker van de technische dienst niet vruchteloos aan mijn deurbel moest komen hangen. En dat ik vooraf nog een sms’je of een voicemeeltje zou krijgen ook zodat ik de modemvervanger relaxt kon ontvangen. Ondertussen is alles in orde en ik heb een nieuw modem en het werkt volledig naar wens. Ik denk dat ik straks maar eens naar Gladje bel om te bedanken voor de vlotte dienstverlening. Als u vrij bent om op de achtergrond van awimoweh awimoweh te komen zingen, hou u niet in.

 

(verschenen in De Standaard op zaterdag 7 juni 2008)

Posted by Geert at 16:30:11 | Permalink | No Comments »

Saturday, May 24, 2008

Miljaar!

Mensen die iets te vaak en veel te lang op café zitten, weten meestal heel goed hoe het komt dat de wereld in moreel verval gesukkeld is. Heel dikwijls kunnen ze aan die oorzaken een indrukwekkende reeks sluitende oplossingen toevoegen. Gelukkig spreken ze al wat onduidelijker zodra het zover komt.

In Nederland bestaan die mensen ook maar er zijn er bij die ook een café bij de grootste tekenen van moreel verval rekenen. Die kunnen terecht bij de Bond tegen het Vloeken. Dat is een vereniging van mensen die heel erg tegen het vloeken zijn. Ze hebben dan ook ooit eens een prijs gewonnen voor verenigingen met een heldere naam. Ik kan nog wel een paar andere prijzen voorstellen die deze vereniging voor mijn part mag winnen, maar ik weet niet of ik dat kan zonder te vloeken. Nochtans, ik vloek niet veel. Gedomme neen. Ik heb mij ook nog nooit gestoord aan vloeken. Onze woordenschat is nu eenmaal bijzonder beperkt als het er op aan komt iets luid en duidelijk te verkondigen wanneer je net met een hamer op je duim hebt geslagen of achteruit tegen een paaltje bent gereden. Het gebruik van krachttermen is volkomen normaal en komt voor in de beste families. Televisiemakers komen uit de beste families. Dus wordt er ook wel eens gevloekt op televisie. En ieder jaar gaat de Bond tegen het Vloeken dat optellen. Ik vind dat een beetje onnozel. Ik ben bijvoorbeeld tegen hondendrollen op straat. Dat wil nog niet zeggen dat ik het nuttig vind om ze tijdens een door de lente en de zon aangemoedigde stadswandeling te tellen. Die lui zijn tegen het vloeken maar als je hun jaarlijks verslag leest, luisteren ze nochtans naar niets anders. Ze zijn tuk op turven.

Zo weten we nu officieel dat er in 2007 wekelijks 2.327 keer gevloekt of gescholden is op de Nederlandse tv. Dat is verdomd veel, dat besef ik ook wel. Dat was 8 procent meer dan in 2006 maar in 2006 werd er liefst 13 procent meer gevloekt dan in 2005 dus dat leidt tot een verbluffende conclusie: dat het compleet zinloos om te tellen hoeveel keer er op tv gevloekt wordt. Niet zinlozer dan te tellen hoeveel keer er asjemenou of tweeverdiener of ochtendspits wordt gezegd op televisie, maar zeker niet zinvoller. Als een personage grof uit de hoek moet komen, dan kun je moeilijk van de acteur verwachten dat hij zich bedient van een taal waaraan niemand aanstoot kan nemen. Als er een heetgebakerde racist wordt opgevoerd in een serie kun je die moeilijk zinnen in de mond leggen als ‘ze moesten al die mensen van een andere huidskleur en lui wier cultuur andere klemtonen legt dan de onze maar meteen over de grens zetten’. Dat zou even geloofwaardig zijn als een zachtmoedige en godsvruchtige zielenherder neerzetten die iedereen aanspreekt met schijtlaars of stom kalf. Dat snappen ze niet bij die Bond tegen het Vloeken. Dat kan ook niet want ze hebben het veel te druk met vloeken tellen om er ook nog eens over na te denken. Negentig jaar bestaat die Bond al, en hij is ooit opgericht omdat iemand vond dat sommige mensen gekwetst worden als ze iemand godverdomme of nondedju horen zeggen. Hadden ze in 1917 nu eens nagedacht over hoe je kan voorkomen dat mensen zich door zulke onnozelheden gekwetst voelen en daarvoor een stuk of wat handige sneltherapietjes hadden bedacht, dan leefden we vandaag in een betere wereld met alvast een paar honderdduizenden lange tenen minder. In plaats daarvan orakelen ze een kleine eeuw later dat god zich gekwetst voelt als zijn naam ijdel wordt gebruikt - toch een weinig respectvolle appreciatie van een opperwezen. Bovendien is vloeken wel de minst schadelijke van alle manieren waarop de naam van god dezer dagen wordt misbruikt.   
Niemand weet hoe het precies zit met god en het hiernamaals, maar stel dat die van de Bond tegen het Vloeken het juist voor hebben en na hun levenseinde op sandalen voor god moeten verschijnen. Mijn kop eraf als die dan niet zegt, na het lezen van hun cv: “O, was u dat die ooit satanischeboodschappen hoorde op een plaat van K3? En stond u niet slogans tegen het vloekente roepen bij de ingang van voetbalstadions? Ach, van mij mag u best de hemel in. Maar ik ben bang dat u het er te leuk zal zult vinden. Dju toch!” En als daar dan een knipoog op volgt, een bulderlach en een woeste tik op de schouder van het Bondlid, dan bestaat god alweer een beetje meer.    

     


(verschenen in De Standaard op zaterdag 24 mei 2008) 
Posted by Geert at 16:39:07 | Permalink | No Comments »

Friday, May 16, 2008

Zo is er geen één

Ik heb het van horen zeggen, maar het schijnt dat Nicole en Hugo Pastorale naar de top hebben gezongen in Zo is er maar één op, euh… één. Ondertussen heb ik hun lied ook gezien en gehoord, en ik moet zeggen dat het succes ze zeer gegund is. Die twee zingen een liefdeslied alsof ze in een warm bad zitten en schuim in elkaars ogen mikken, schoon dat dat is. Meer moet dat niet zijn. Toch niet altijd. “Er zal minder met ons gelachen worden,” zei Hugo, maar er wordt al langer niet zo hard meer om Nicole en Hugo gelachen. Daar zijn ze te sympathiek voor. We lachten ook nooit echt met die liedjes, Hugo, maar eerder met jullie door oosterse fast food geïnspireerde kleren. Die gekke broeken! Die rare hemden! Die oogverblindende jurken! En Nicole had vaak ook iets aparts aan.

 

Natuurlijk, als je in een wedstrijd op zoek gaat naar het allerbeste Nederlandstalige lied en iemand schrijft Pastorale in, dan kan je die wedstrijd net zo goed afgelasten. Want er zijn bij ons weinig straffere stoten afgehaspeld in vier minuten. Het is een kwestie van smaak, hoor je wel eens, maar neen, dat is niet waar. Onder ons gezegd en herhaald: Pastorale is zeer goed. Gewoon omdat het zo ongebreideld op zoek gaat naar de grenzen van de pathetiek en daarop zo’n heikel dansje uitvoert dat het ofwel fantastisch ofwel belachelijk wordt. En op het einde van dat dansje blijkt het dan fantastisch te zijn, voila, daar kunnen we echt niet moeilijk over doen.  

Maar om het lied dat door Ramses Shaffy en Liesbeth List onsterfelijk werd gemaakt nu overal op één lijn te zetten met pralines, bloemetjesbehang en rode rozen en de tekst te omschrijven als een liefdesliedje van de zon aan de aarde en omgekeerd, dat is toch de waarheid geweld aandoen. We zijn het niet meer gewoon, dat de vleselijke liefde in metaforen wordt bezongen. Daarvoor zijn we te zeer gewend aan woeste rappers die in niet mis te verstane bewoordingen handleidingen voor hun bitches en hoes inzingen, en die nog geen metafoor zouden gebruiken zelfs als ze daarvoor fotogeniek konden worden gearresteerd. Yo. Ze doen dat met een taalgebruik dat zelfs Dennis Black Magic, mocht het zich onverhoopt voordoen in één van zijn films, toch even bezorgd met een taaladviseur zou doen bellen.

Het is nogal vergezocht om de zon een liedjestekst in de mond te leggen. Maar gesteld dat de zon zou kunnen zingen, kunnen we toch aannemen dat ze dat niet zou doen met de overvloed aan arrogantie en zelfvoldaanheid die Shaffy destijds in ‘zijn zon’ stak. De zon lijkt mij meer van het type dat tegen de aarde zegt: “Ach, ik geef gewoon wat warmte en als er veel wolken zijn merk je daar niet eens erg veel van.” Zulke ingetogenheid mocht je toen van Ramses Shaffy niet verwachten. O neen. Hij huilde dat lied als een bronstige wolf, met een onstuitbare dadendrang als drijfveer. De bombast van het lied zit nog meer in zijn zang dan in de orkestratie.

Het waren dan ook verwarrende tijden. Mei 1968 was toen nog een kalendervel als vele andere maar ook bij de opgroeiende jongeren van de lage landen werd er in die dagen meer van bil dan naar de kapper gegaan. Het was de tijd dat Jan Wolkers zaliger woorden als kut in de Van Dale schreef. Jef Geeraerts omschreef hoe vrouwen zoal konden worden genomen in afwisselend een noordzeeklimaat en de tropen. Jan Van Rompaey had lang haar. Kortom, het is niet omdat Pastorale over het zonnetje en manneke maan gaat dat het hier een verhouding betreft waarin bonbons en snijbloemen een eersteplansrol vervullen. Pastorale is goed Nederlands voor ‘your place or my place’ en heeft veel meer te maken met Je t’ aime moi non plus dan met Eenzaam zonder jou. En de tand des tijds is er ontzettend mild voor, melig of belegen kun je die tekst van Lennaert Nijgh bezwaarlijk noemen. Met zinsneden als “Vandaag span ik mijn regenboog, die is alleen voor jou” kan een gemiddeld heerschap op café ook vandaag gemakkelijker een oorveeg krijgen dan een telefoonnummer.

Maar misschien heb ik het allemaal wel verkeerd begrepen. Misschien ligt het aan mij. Dan moet u het me maar niet kwalijk nemen. De lente heeft deze week tenslotte ook fel overdreven.

 

(verschenen in De Standaard op zaterdag 10 mei 2008)

Posted by Geert at 10:02:18 | Permalink | No Comments »