Thursday, June 26, 2008

Het juiste woord

Er zijn maar een paar mensen die ik niet graag tegenkom op een receptie en helaas zijn ze er altijd. De verwarde geest die je er vijf minuten lang van probeert te overtuigen dat je samen met hem heb op school hebt gezeten, en er dan ineens achterkomt dat hij je voor iemand anders heeft aangezien. De luidruchtige brulboei die bij elk vermoeden van een grap zo luid gaat lachen dat de toastjes ondersteboven gaan liggen van pure schrik. De onverlaat die op een eenvoudige, beleefde vraag als ‘hoe maakt u het’ antwoordt met een opsomming van de jongste drie huidziekten waarvan hij het slachtoffer is geweest. En daarvan foto’s mee heeft. En de winnaar van de gouden medaille: de flurk (m/v) die met dertien meningen binnenkomt en als die naar huis gaat zijn ze allemaal op.

Gelukkig is deze laatste gemakkelijk te herkennen. Er staat altijd een groepje rond dat almaar kleiner wordt. De eerste die zich losmaakt van de ergerlijke prater heeft het gemakkelijk. Even iets mompelen dat klinkt als ‘excuseer’ en verdwijnen in de richting van de toiletten doet het al. De tweede en de derde redden zich ook wel. De ene kan doen of er een pit in het verkeerde keelgat is geschoten en de andere kan hem, hevig tussen zijn schouderbladen timmerend, wegsleuren naar iemand die wél het Heimlich-maneuver kent.

Maar wie zich verslikt in de praatvaar is eraan voor de moeite. Laatst raakte ik op een receptie ingesloten in een groepje met zo’n weetal die meteen boven het geroezemoes gaat uitsteken. Hij was overduidelijk de minst politiek correcte van ons vijftal en slaagde erin het gesprek altijd opnieuw af te leiden naar zijn geliefkoosde onderwerp: de zigeuners. Af en toe zong hij er de lof van, zodat hij niet meteen van racisme kon worden beschuldigd, maar dat was louter een list. Zodra hij daartoe kans zag, deed hij het gesprek overslaan naar grove veralgemeningen en dan bleek al gauw dat hij de overtuiging was toegedaan dat iedere zigeuner geboren wordt met één hand in de zak van iemand anders. En dat hij niet snapte dat je zomaar met vijftig woonwagens een braakliggend terrein op rijdt en dan zeurt dat er geen douches of hot spots zijn. Technisch was de man niet erg onderlegd. Toen hij zich hardop afvroeg “waar die gasten zonder huis dan wel hun gsm’s konden opladen” en iemand voorzichtig suggereerde dat zulks wellicht geen probleem is in een moderne woonwagen, barstte hij uit in hoongelach en vroeg waar ze die woonwagens dan wel konden opladen.

Nu verbaasden de uitlatingen van de man mij niet, en eerlijk gezegd begreep ik ook wel waarom niemand van ons groepje enige moeite deed om de man tot andere inzichten te brengen of op zijn minst wat gevoel voor nuance bij te brengen. Het leek niet het type dat vlug bijleert en het was tenslotte voor ons allen een avondje vrij. Wat mij wel verbaasde, is dat niemand er ook maar een opmerking over maakte dat de kerel het woord zigeuner niet één keer juist uitsprak. In plaats daarvan had hij het de hele tijd over zineugers. Een beetje spellingchecker onderstreept dat meteen met rood maar op een feestje ben je voor zoiets toch afhankelijk van een beleefde wenk van een goedmenende gesprekspartner.

De eerste keer dat je het hoort denk je dat het een verspreking is, en laat je de mantels der liefde al aanrukken, maar na een paar keer dringt het door: hij zegt écht altijd zineuger! En na enkele keren wordt het gewoon gênant om er nog iets van te zeggen. Want dan gaat zo’n gozer zich natuurlijk afvragen waarom je daar niet eerder iets van hebt gezegd.

Ondertussen kwam ik ook achter de ware reden waarom de spreker nooit werd tegengesproken of gecorrigeerd. Zijn andere toehoorders stonden daar al een paar minuten met een rode kop hun lach in te houden. Telkens als iemand een goede smoes klaar had om het gesprek te verlaten, zei die kerel weer zineuger in plaats van zigeuner, en dan was het weer een kwestie van bijten op je tong tot het overging.

Ik probeerde nog om hem discreet op het juiste spoor te zetten, door zelf in de fout te gaan. Dan zei ik ‘antuurlijk’ en ‘zeker en vats’ in de hoop dat zulks zijn hersenen zou rebooten zonder dat hij er zelf iets voor hoefde te doen – sommige mensen zijn de grootste vijand van hun eigen hersenen – maar het werkte niet. Onze beleefdheid bleef niet duren. De kerel bracht zichzelf de genadeslag toe. “Maar ja, ik zeg zineuger. En dat moogt ge niet eens zeggen! Ha ja?” riep hij ineens. Wij keken elkaar aan. Was het eindelijk tot hem doorgedrongen? Maar neen, hij hielp ons meteen uit de droom. “Ge moogt dat niet zeggen, zineuger! Hah! Neen, ge moet roma zeggen!” Waarop de ene deed of hij een lens was verloren, een andere wuifde naar een denkbeeldige kennis aan het andere eind en er heen stoof, en ik samen met de rest helaas alleen nog in lachen kon uitbarsten. Niet dat de kerel dacht dat we hem uitlachten, want hij lachte hartelijk mee en proeste: “Ja, belachelijk hé? Roma!” Ik ben weggerend voor hij eraan kon toevoegen dat Roma ook een merk van frituurhapjes was. Mensen uitlachen doe ik niet graag. Dat zijn geen namieren.

 

(verschenen in De Standaard op zaterdag 21 juni 2008)

Posted by Geert at 07:41:50 | Permalink | No Comments »

Saturday, June 7, 2008

Dat toontje

Hou het onder ons, maar er is niets mis met een vriendelijke stem die je op een keurige, zakelijke toon iets interessants meedeelt. Dat voorrecht wordt ons evenwel zelden gegund. Niet dat ik er op kick om aan de telefoon te worden afgeblaft als ik een helpdesk bel of ergens anders mijn oor te luisteren leg. Neen, ongelikte beren en gestampte boeren kunnen mij gestolen worden. Niet getreurd: dezer dagen krijgen we hoe langer hoe meer te maken met het andere uiterste.

 

Mensen die om den brode andere mensen telefonisch moeten opvangen of ter wille zijn, wordt tegenwoordig aangeleerd dat ze alle klanten met een ongebreidelde empathie en uiterst zalvende en minnekozende fraseringen te woord moeten staan. Het resultaat is een onhebbelijk toontje dat neigt naar ongewenste intimiteiten en ik krijg er de kriebels van.

Je hoort het ook overal. Zelfs als er vandaag iemand op de radio wordt geïnterviewd, en al helemaal als het gaat om iemand die niet echt tot het publieke leven behoort. Dan hoor je wel eens dat de interviewer zich van dat toontje bedient. Pas op, gemakkelijk kan dat niet zijn. Je hoort dan de vraag: “En hoe voelde dat aan, toen uw ouders uit elkaar gingen tussen het hoofdgerecht en het dessert op uw communiefeest?” maar eigenlijk klinkt het als “u moet niet bang zijn want u bent hier bij ons fijn op de radio en wij zien u allemaal heel graag en zolang u maar op uw gemak bent en niet denkt dat er luisteraars zijn die nare dingen over u kunnen denken blijven we hier gezellig babbelen”. Kent u die tekstballonnetjes uit Asterix? Telkens als Obelix een beetje wil flemen of paaien is de rand van het betrokken tekstbelletje omkleed met lieflijk ogende bloemen. Dát toontje dus.

Als iemand mij op de autoradio komt vertellen waar de files staan en hoe lang ze zijn, hoeft dat echt niet te gebeuren op een toontje dat ik alleen passend vindt wanneer de spreker mij tegelijk inzeept en mijn tenen masseert. Beleefd en zakelijk, dan zijn wij al lang blij.

Zeker aan de telefoon, wanneer je gewoon inlichtingen wil vragen of een afspraak maken voor een of ander bezoek. Zo kwam ik een paar dagen geleden thuis en stond er iemand van een telefoniebedrijf op het bandje – laten we het T. noemen. T. exploiteert de lijn waarmee ik voor de buitenwereld toegankelijk blijf en de vraag was of ik eens kon terugbellen, want mijn telefoonmodem was aan vervanging toe. Dat geloofde ik meteen, want dat modem is gemaakt van bakeliet en heeft nog een zwengel en een schoorsteen.

Dus ik bel T. terug en krijg een meisje aan de lijn, laten we haar Gladje noemen. Geen kwaad woord over Gladje, ze was vriendelijk en heeft mij erg goed geholpen. Maar daar had je dat toontje weer! Ze sprak mij toe met een stemgeluid dat gemaakt is om huwelijken op de klippen te doen lopen. Gladje zat aan een bureau met veel formica en een computer, heb ik uit goede bron vernomen, maar dat was er absoluut niet aan te horen. Neen, Gladje sprak mij toe alsof ze in een licht pruttelende jacuzzi zat, met een blote voet balancerend op de rand en af en toe nippend van een cocktail waarvan minstens twee ingrediënten alleen in de betere delicatessenzaak te vinden zijn. Een handvol geoliede herenslaven stonden haar met palmbladeren koelte toe te wuiven en Sfinkske, de naaktkat met stamboom, lag te spinnen op een kussen van Dries Van Noten. Gedempt op de achtergrond hoorde ik een zwoele saxofoonsolo maar het kan zijn dat ik me dat heb ingebeeld. Op een toon die dan en alleen dan vanzelf mag komen, informeerde ze me over mijn modempje dat echt wel toe was aan een gratis vervanging door een nieuwtje, en dat we gezellig samen een dagje zouden kiezen dat geschikt was en dan een afspraakje zouden maken zodat een medewerker van de technische dienst niet vruchteloos aan mijn deurbel moest komen hangen. En dat ik vooraf nog een sms’je of een voicemeeltje zou krijgen ook zodat ik de modemvervanger relaxt kon ontvangen. Ondertussen is alles in orde en ik heb een nieuw modem en het werkt volledig naar wens. Ik denk dat ik straks maar eens naar Gladje bel om te bedanken voor de vlotte dienstverlening. Als u vrij bent om op de achtergrond van awimoweh awimoweh te komen zingen, hou u niet in.

 

(verschenen in De Standaard op zaterdag 7 juni 2008)

Posted by Geert at 16:30:11 | Permalink | No Comments »

Saturday, May 24, 2008

Miljaar!

Mensen die iets te vaak en veel te lang op café zitten, weten meestal heel goed hoe het komt dat de wereld in moreel verval gesukkeld is. Heel dikwijls kunnen ze aan die oorzaken een indrukwekkende reeks sluitende oplossingen toevoegen. Gelukkig spreken ze al wat onduidelijker zodra het zover komt.

In Nederland bestaan die mensen ook maar er zijn er bij die ook een café bij de grootste tekenen van moreel verval rekenen. Die kunnen terecht bij de Bond tegen het Vloeken. Dat is een vereniging van mensen die heel erg tegen het vloeken zijn. Ze hebben dan ook ooit eens een prijs gewonnen voor verenigingen met een heldere naam. Ik kan nog wel een paar andere prijzen voorstellen die deze vereniging voor mijn part mag winnen, maar ik weet niet of ik dat kan zonder te vloeken. Nochtans, ik vloek niet veel. Gedomme neen. Ik heb mij ook nog nooit gestoord aan vloeken. Onze woordenschat is nu eenmaal bijzonder beperkt als het er op aan komt iets luid en duidelijk te verkondigen wanneer je net met een hamer op je duim hebt geslagen of achteruit tegen een paaltje bent gereden. Het gebruik van krachttermen is volkomen normaal en komt voor in de beste families. Televisiemakers komen uit de beste families. Dus wordt er ook wel eens gevloekt op televisie. En ieder jaar gaat de Bond tegen het Vloeken dat optellen. Ik vind dat een beetje onnozel. Ik ben bijvoorbeeld tegen hondendrollen op straat. Dat wil nog niet zeggen dat ik het nuttig vind om ze tijdens een door de lente en de zon aangemoedigde stadswandeling te tellen. Die lui zijn tegen het vloeken maar als je hun jaarlijks verslag leest, luisteren ze nochtans naar niets anders. Ze zijn tuk op turven.

Zo weten we nu officieel dat er in 2007 wekelijks 2.327 keer gevloekt of gescholden is op de Nederlandse tv. Dat is verdomd veel, dat besef ik ook wel. Dat was 8 procent meer dan in 2006 maar in 2006 werd er liefst 13 procent meer gevloekt dan in 2005 dus dat leidt tot een verbluffende conclusie: dat het compleet zinloos om te tellen hoeveel keer er op tv gevloekt wordt. Niet zinlozer dan te tellen hoeveel keer er asjemenou of tweeverdiener of ochtendspits wordt gezegd op televisie, maar zeker niet zinvoller. Als een personage grof uit de hoek moet komen, dan kun je moeilijk van de acteur verwachten dat hij zich bedient van een taal waaraan niemand aanstoot kan nemen. Als er een heetgebakerde racist wordt opgevoerd in een serie kun je die moeilijk zinnen in de mond leggen als ‘ze moesten al die mensen van een andere huidskleur en lui wier cultuur andere klemtonen legt dan de onze maar meteen over de grens zetten’. Dat zou even geloofwaardig zijn als een zachtmoedige en godsvruchtige zielenherder neerzetten die iedereen aanspreekt met schijtlaars of stom kalf. Dat snappen ze niet bij die Bond tegen het Vloeken. Dat kan ook niet want ze hebben het veel te druk met vloeken tellen om er ook nog eens over na te denken. Negentig jaar bestaat die Bond al, en hij is ooit opgericht omdat iemand vond dat sommige mensen gekwetst worden als ze iemand godverdomme of nondedju horen zeggen. Hadden ze in 1917 nu eens nagedacht over hoe je kan voorkomen dat mensen zich door zulke onnozelheden gekwetst voelen en daarvoor een stuk of wat handige sneltherapietjes hadden bedacht, dan leefden we vandaag in een betere wereld met alvast een paar honderdduizenden lange tenen minder. In plaats daarvan orakelen ze een kleine eeuw later dat god zich gekwetst voelt als zijn naam ijdel wordt gebruikt - toch een weinig respectvolle appreciatie van een opperwezen. Bovendien is vloeken wel de minst schadelijke van alle manieren waarop de naam van god dezer dagen wordt misbruikt.   
Niemand weet hoe het precies zit met god en het hiernamaals, maar stel dat die van de Bond tegen het Vloeken het juist voor hebben en na hun levenseinde op sandalen voor god moeten verschijnen. Mijn kop eraf als die dan niet zegt, na het lezen van hun cv: “O, was u dat die ooit satanischeboodschappen hoorde op een plaat van K3? En stond u niet slogans tegen het vloekente roepen bij de ingang van voetbalstadions? Ach, van mij mag u best de hemel in. Maar ik ben bang dat u het er te leuk zal zult vinden. Dju toch!” En als daar dan een knipoog op volgt, een bulderlach en een woeste tik op de schouder van het Bondlid, dan bestaat god alweer een beetje meer.    

     


(verschenen in De Standaard op zaterdag 24 mei 2008) 
Posted by Geert at 16:39:07 | Permalink | No Comments »

Friday, May 16, 2008

Zo is er geen één

Ik heb het van horen zeggen, maar het schijnt dat Nicole en Hugo Pastorale naar de top hebben gezongen in Zo is er maar één op, euh… één. Ondertussen heb ik hun lied ook gezien en gehoord, en ik moet zeggen dat het succes ze zeer gegund is. Die twee zingen een liefdeslied alsof ze in een warm bad zitten en schuim in elkaars ogen mikken, schoon dat dat is. Meer moet dat niet zijn. Toch niet altijd. “Er zal minder met ons gelachen worden,” zei Hugo, maar er wordt al langer niet zo hard meer om Nicole en Hugo gelachen. Daar zijn ze te sympathiek voor. We lachten ook nooit echt met die liedjes, Hugo, maar eerder met jullie door oosterse fast food geïnspireerde kleren. Die gekke broeken! Die rare hemden! Die oogverblindende jurken! En Nicole had vaak ook iets aparts aan.

 

Natuurlijk, als je in een wedstrijd op zoek gaat naar het allerbeste Nederlandstalige lied en iemand schrijft Pastorale in, dan kan je die wedstrijd net zo goed afgelasten. Want er zijn bij ons weinig straffere stoten afgehaspeld in vier minuten. Het is een kwestie van smaak, hoor je wel eens, maar neen, dat is niet waar. Onder ons gezegd en herhaald: Pastorale is zeer goed. Gewoon omdat het zo ongebreideld op zoek gaat naar de grenzen van de pathetiek en daarop zo’n heikel dansje uitvoert dat het ofwel fantastisch ofwel belachelijk wordt. En op het einde van dat dansje blijkt het dan fantastisch te zijn, voila, daar kunnen we echt niet moeilijk over doen.  

Maar om het lied dat door Ramses Shaffy en Liesbeth List onsterfelijk werd gemaakt nu overal op één lijn te zetten met pralines, bloemetjesbehang en rode rozen en de tekst te omschrijven als een liefdesliedje van de zon aan de aarde en omgekeerd, dat is toch de waarheid geweld aandoen. We zijn het niet meer gewoon, dat de vleselijke liefde in metaforen wordt bezongen. Daarvoor zijn we te zeer gewend aan woeste rappers die in niet mis te verstane bewoordingen handleidingen voor hun bitches en hoes inzingen, en die nog geen metafoor zouden gebruiken zelfs als ze daarvoor fotogeniek konden worden gearresteerd. Yo. Ze doen dat met een taalgebruik dat zelfs Dennis Black Magic, mocht het zich onverhoopt voordoen in één van zijn films, toch even bezorgd met een taaladviseur zou doen bellen.

Het is nogal vergezocht om de zon een liedjestekst in de mond te leggen. Maar gesteld dat de zon zou kunnen zingen, kunnen we toch aannemen dat ze dat niet zou doen met de overvloed aan arrogantie en zelfvoldaanheid die Shaffy destijds in ‘zijn zon’ stak. De zon lijkt mij meer van het type dat tegen de aarde zegt: “Ach, ik geef gewoon wat warmte en als er veel wolken zijn merk je daar niet eens erg veel van.” Zulke ingetogenheid mocht je toen van Ramses Shaffy niet verwachten. O neen. Hij huilde dat lied als een bronstige wolf, met een onstuitbare dadendrang als drijfveer. De bombast van het lied zit nog meer in zijn zang dan in de orkestratie.

Het waren dan ook verwarrende tijden. Mei 1968 was toen nog een kalendervel als vele andere maar ook bij de opgroeiende jongeren van de lage landen werd er in die dagen meer van bil dan naar de kapper gegaan. Het was de tijd dat Jan Wolkers zaliger woorden als kut in de Van Dale schreef. Jef Geeraerts omschreef hoe vrouwen zoal konden worden genomen in afwisselend een noordzeeklimaat en de tropen. Jan Van Rompaey had lang haar. Kortom, het is niet omdat Pastorale over het zonnetje en manneke maan gaat dat het hier een verhouding betreft waarin bonbons en snijbloemen een eersteplansrol vervullen. Pastorale is goed Nederlands voor ‘your place or my place’ en heeft veel meer te maken met Je t’ aime moi non plus dan met Eenzaam zonder jou. En de tand des tijds is er ontzettend mild voor, melig of belegen kun je die tekst van Lennaert Nijgh bezwaarlijk noemen. Met zinsneden als “Vandaag span ik mijn regenboog, die is alleen voor jou” kan een gemiddeld heerschap op café ook vandaag gemakkelijker een oorveeg krijgen dan een telefoonnummer.

Maar misschien heb ik het allemaal wel verkeerd begrepen. Misschien ligt het aan mij. Dan moet u het me maar niet kwalijk nemen. De lente heeft deze week tenslotte ook fel overdreven.

 

(verschenen in De Standaard op zaterdag 10 mei 2008)

Posted by Geert at 10:02:18 | Permalink | No Comments »

Wednesday, April 30, 2008

The Pianist

(niet alle grappen werken in het Nederlands)

A guy walks into a bar and notices that the music is live, and it is being produced by a very small piano player - about 12 inches high! He orders a drink and asks the bartender where he go the musician from. “Oh,” says the bartender, “I’ve got a magical beer bottle. When you rub it, a genie comes out and grants you one wish.” “I don’t believe that,” replies the visitor. The bartender gives him a seemingly empty bottle. “Here - give it a try.” The man rubs the bottle and out pops a genie. “I will grant you one wish,” he says. “Let’s see,” says the guy, “I wish for a thousand bucks!” “You shall have them,” booms the genie and he disappears. All of a sudden, the bar is full of ducks. They are on the tables, on the counter, on the floor - everywhere!  The bartender takes the bottle back and says: “Do you believe me now?” “Why?” says the guy, “I never wished for a thousand ducks!” “Sure,” replies the bartender, “do you really think I wished for a 12-inch pianist?”

Posted by Geert at 10:26:15 | Permalink | Comments (1) »

Tuesday, April 22, 2008

Hasselhoff

Op BBC Entertainment gelezen: “Former Baywatch actor David Hasselhoff is doing well after having “something removed” above his eye on Saturday, his publicist has confirmed.”

(“his brain” zal het wel niet geweest zijn…)

Posted by Geert at 15:20:57 | Permalink | No Comments »

Monday, April 21, 2008

Beats of love

De Vlaamse steden moeten de Belgische versie van de Love Parade niet. De City Parade zou, als het van de organisatoren afhangt, afwisselend plaatsvinden in Vlaanderen en Wallonië, maar Vlaamse stadsbesturen zien de technoparade blijkbaar vooral als een bron van herrie, afval en verkeersoverlast. Liefhebbers van rock en folk krijg je ’s zomers gemakkelijk bij elkaar in een groot tentenkamp met een openluchtpodium op tijdelijk door vee verlaten weilanden. Maar techno is kennelijk bij uitstek stedelijk en een rave in de modder is zoiets als een antiekbeurs in een motorclub. Daarvoor heb je lange, brede lanen nodig, monstertrucks en gigantische speakers. Maar de meeste Vlaamse steden doen of ze niet thuis zijn als de jongens van City Parade aankloppen.

 

Veel politici hebben geen benul van wat techno precies is. Ze hebben er zelden enige voeling mee. In het beste geval herkennen ze het als de ongelooflijke herrie die soms uit de kamer van dochter- of zoonlief bonkt en waardoor zij de televisie in de woonkamer steeds harder moeten zetten. De woeste beats werken gemakkelijk op de zenuwen van wie er niet in opgaat.

Er zijn momenten waarop ik techno en aanverwante muziek hartsgrondig haat. Die doen zich meestal voor als er een auto voorbijrijdt die geheel uit woofers en tweeters is opgetrokken, en die voldoende decibels produceert om ermee, indien de geluidsgolven goed worden gericht, de ballen van het Atomium te splitsen. Je hoort geen aanstekelijke beats maar een voortdurend gedempt gedreun. Dat zegt meer over de automobilisten in kwestie dan over de muziek. Dat hun gehoor rond hun veertigste ferm zal zijn afgenomen, om maar iets te zeggen. Het is dat het in die kringen minder gebruikelijk is, maar als er auto’s passeren die met een dergelijk luid volume de jongste hits van Laura Lynn of de klassiekers van Perry Como het zwerk in zouden jagen, zou ik daar allicht ook redelijk lastig door worden.

Toen ik hoorde dat de City Parade in 2003 in Gent zou worden georganiseerd en dat die zo ongeveer onder mijn balkon zou starten, dacht ik dan ook eerder aan barricaderen dan aan vrienden inviteren. Tot alles heel erg bleek mee te vallen. Ik had me nog voorgenomen om een en ander zo gedistingeerd mogelijk te negeren maar moest opgeven nadat ik er in vier sms’jes en drie telefoons van op de hoogte was gebracht dat mijn appartement live te zien was op Jim-tv. Ik ging dan maar eens kijken en ja, er hing een helikopter in de lucht met een cameracrew. Ik liep voortdurend heen en weer tussen mijn balkon en de woonkamer om te zien of ik op televisie was, maar zo werkt dat niet, dus bleef ik na een tijdje maar gewoon staan kijken.

Het zag er allemaal nogal chaotisch uit. Een zootje. Maar het leek wel een onwaarschijnlijk plezierig zootje. In een lange rij stonden enorme trucks, omgebouwd tot praalwagens met een zekere flair voor waanzin. Daarop speelden dj’s platen en dat ging hard. Erg hard. Een aanzwellende mensenzee met kleren die voor de beste kleurwasmiddels een uitdaging betekenden, stond er rond en iedereen danste alsof zijn leven ervan afhing. Het was de bedoeling dat de vrachtwagens vooruit reden, maar ergens moet een flessenhals voor problemen hebben gezorgd want de parade bleef dikwijls minutenlang onbeweeglijk. In een gemiddelde stoet worden toeschouwers daar kribbig van maar op de City Parade heb ik de verveling niet zien toeslaan. Het publiek is een onderdeel van de stoet en omgekeerd. Om met Sjef van Oekel te spreken: dan werd het tóch nog gezellig!

Ik gaf me gewonnen en waagde me op straat. Aarzelend, omdat ik dacht dat ik tussen al dat jonge volk vast op een verontruste pa zou lijken die zijn dochter komt redden uit de poel van verderf. En ook omdat mijn kleren nogal uit de toon vallen in een hippe techno-omgeving. Maar mijn vrees was nergens voor nodig. Iedereen amuseerde zich gewoon en iedereen die in de buurt kwam mocht meedoen. Zelden zo’n open en aanstekelijke sfeer meegemaakt. Ik was trouwens lang de oudste niet. Ik heb zeventigers op hun balkon zien staan dansen en die riepen naar binnen: “Ma, kom meedoen! Nu!”

Kortom, ik gun technoliefhebbers sinds die dag van harte hun pleziertje. En het mag gerust onder mijn balkon zijn. Al moet ik ’s avonds een uur lang inpraten op de poes eer ze onder het bed vandaan durft te komen. En de straten mogen gerust weer vol afval liggen zoals toen. Een dag later was dat opgeruimd en de City Parade betaalde netjes de factuur. En het verkeer mag dan gerust eens danig in de rats zitten, want als de Ronde van Frankrijk onder mijn balkon voorbijschiet, doet het dat ook en daar maalt niemand om. Misschien moeten ze techno maar eens als sport proberen te verkopen in plaats van als muziek, wie weet zien de Vlaamse steden er dan toch nog heil in.

En, vraagt u zich af, ben ik toen ook geslachtofferd aan de wilde beats en keiharde dreunen? Heb ik mij als een knettergekke oudere jongere in het gedruis gestort, en heb ik dan ook molenwiekend in de zon gedanst op klassiekers van CJ Bolland en Ken Ishi? Heb ik toen ook mee de flower power heruitgevonden en breezers gedronken op de stoep? Ja, dat vraagt u zich vast af.

(verschenen in De Standaard op zaterdag 19 april 2008)

Posted by Geert at 15:38:51 | Permalink | No Comments »

Monday, April 7, 2008

Over To You!

Radio news reader 1: “What do our listeners’ think about this issue? Do you have any thoughts? What are those thoughts? Will you tell us them? Any thoughts at all will do. If you have ‘m, we want to hear them!”

Radio news reader 2: “Are you personally affected by this issue? Then e-mail us! Or if you’re not affected by this issue, can you imagine what it would be like if you were? Or if you are affected by it but don’t want to talk about it, can you imagine what it would be like… not being affected by it? Why not e-mail us and tell us?”

Radio news reader 1: “Yes, why not? What possible reason could there be for you not to e-mail us? Certainly ignorance shouldn’t be a bar! You may not know anything about the issue but I bet you reckon something! So why not tell us  what you reckon? Let us enjoy the full majesty of your uninformed ad hoc reckon, by going to bbc.co.uk/radiofour, clicking on ‘what I reckon’, and then simply beating on the keyboard with your fists or hand.”

 

(That Mitchell and Webb Sound, series 3 – BBC Radio 4)   

Posted by Geert at 09:32:08 | Permalink | No Comments »

Koning auto

Woorden gaan niet lang mee. Er komt stof op als we ze niet vaak genoeg gebruiken en zo verliezen ze hun waarde. Dan doen ze voor de gebruiker wat jaarringen doen voor bomen: ze verraden genadeloos de leeftijd. Gewoon door uw woordkeuze geeft u zichzelf prijs. Zo komt het dat mensen aan de telefoon kunnen horen of u al kleinkinderen heeft of niet. Daar is niets aan te doen en erg is het evenmin. Kleinkinderen hebben is geen schande.

Pijnlijker is het gesteld met woorden en uitdrukkingen die zo vaak worden gebruikt dat het stof geen kans maakt, maar toch van een verdiende rust zouden moeten genieten. Ze hebben hun inhoud wel bewaard, maar al hun kracht verloren. Denk maar aan woorden als consumptiemaatschappij, kampvuur en koning auto. De drie k’s, of toch bijna.

Die woorden horen, roept altijd een beeld op van baard, slobbertrui en geitenwollen sokken. Of het nu een vrouwenstem of een mannenstem is die ze uitspreekt. Niet dat we een kampvuur naar het verleden moeten verbannen. Een kampvuur geeft nog altijd warmte. Maar er rond gaan zitten en met een tweedehandse gitaar liedjes zingen tegen de oorlog in Viëtnam heeft zijn beste tijd gehad. Historici hebben die beste tijd eerder omschreven als: ten tijde van de oorlog in Viëtnam. Er worden weinig liedjes geschreven tegen de oorlogen van vandaag en wie een carrière wil bouwen op het met nasale stem vertolken van gezongen klachten tegen de toestand in Darfoer, maakt het zichzelf niet gemakkelijk.

Met de consumptiemaatschappij is het ook niet zo best gesteld. Niet met de bedoelde maatschappij, maar nog meer betreurenswaardig is de toestand van het woord. Ooit was het woord ‘consumptiemaatschappij’ een verbale kaakslag, vooral in combinatie met de woorden ‘slachtoffers van de’ ervoor. Het stemde mensen tot nadenken. Het riep vragen op. Het deed bij miljoenen mensen het gloeilampje verschijnen dat in strips aanfloept boven het hoofd van de held die net een verlossende gedachte krijgt. Het heeft ons geleerd dat we inderdaad niet alles moeten willen, hebben en krijgen, gewoon omdat het er is. Dus hiep, hiep hoera voor het woord consumptiemaatschappij. Maar heden mag het met pensioen. Wie het woord vandaag gebruikt, klinkt toch alsof hij het gisteren pas voor het eerst gehoord heeft. Terwijl het een gegeven is geworden. Vogels zullen wel ooit wel eens vliegdieren hebben genoemd en vissen zwemdieren, maar zo gauw iedereen weet dat merels kunnen vliegen en een snoek zich goed voelt in het water, moeten we vooruit.

De ergste woorden die tegen wil en dank en tegen elk advies in de tand des tijds hebben getrotseerd – maar helaas niet doorstaan – zijn ‘koning’ en ‘auto’. Ooit was dat een kopstoot van een term. Toen we met zijn allen na lang sparen elk een wagentje hadden gekocht omdat in de krant had gestaan dat de auto gedemocratiseerd was. Toen een minister nog een held kon worden door hier en daar een derde rijvak naast twee bestaande te trekken. Toen je alleen nog maar de echte Mini, de echte kever en de echte Fiat 500 had. ‘Koning auto’ werkte ook alleen maar goed als je er een welgemikte gniffel aan vooraf liet gaan. Dat ging dan van “Maar ja, we hebben alles geofferd aan, hmpfff, koning auto!” Een extra gniffel achteraan was er wat over maar iemand met een ringbaard kon zich dan wel nog een grijns veroorloven. Vandaag nog van koning auto spreken, is belachelijk. Zelfs al is de republiek Fiets nog lang niet uitgeroepen. Slechts weinig mensen die ’s morgens en ’s avonds in de ellenlange files staan, doen dat omdat ze het plezant vinden of omdat ze tegen het openbaar vervoer zijn. Je hoeft niet Jeremy Clarkson of Jean-Marie Dedecker te heten om dat in te zien. Weinig filerijders voelen zich als een vorst behandeld, als ze weer eens een uur lang naar de kont van een kever hebben zitten staren. Dan maakt het echt niet uit of het een oldtimer is of een New Beetle. Koning auto is al lang onttroond en al lijkt het tijdens het autosalon soms nog even dat hij een absolute vorst is, we weten wel beter. Zijn koningschap is symbolisch en decoratief. Uw auto knipt lintjes door, uw auto heerst niet over ’s lands wegen. Dus als u nog eens een zweetgeur waarneemt en iemand de woorden ‘koning’ en ‘auto’ hoort gebruiken in een andere zin dan “die jongste zoon van de koning heeft toch wel een paar leuke auto’s”, doe of u het niet hoort. Dan verzinnen ze vanzelf wel eens een ander woord. Onze taal kan er maar rijker van worden.

 

Verschenen in De Standaard op zaterdag 5 april 2008.

Posted by Geert at 09:05:19 | Permalink | No Comments »

Toe maar jongens de beuk er in

De jongste maanden krijg ik ongevraagd veel briefwisseling en mails uit hoeken van waaruit ik voorheen zelden nieuws kreeg: de sector van de motivational speakers en succes coaches. Yes! En ik moet zeggen dat het al een beetje werkt. Ik ben onderhand heel sterk gemotiveerd om mij met succes uit die kerels hun adressenbestanden te doen schrappen. Niet dat er iets mis is met motivatie, integendeel. Ik heb ook wel eens gehoord van ‘de drie m’s van het slagen’ – motivatie, motivatie en motivatie.

Motivatie doet mensen koersen winnen, deadlines halen, veldslagen winnen, en gerechten proberen te doen lijken op de foto die naast het recept staat. Mij hoort u niet zeggen dat motivatie iets negatiefs is. Dat zou ontmoedigend zijn. Maar die meestal in slecht Nederlands gestelde mailtjes doen vermoeden dat een stel hansworsten veel geld verdient door ons allemaal iets te komen leren waarvan wij eigenlijk niet weten of ze dat zelf wel onder de knie hebben.

U heeft er natuurlijk geen boodschap aan dat ik er maar blijf over emmeren dat ik die lefdokters niet vertrouw. Waarom dan, hoor ik u roepen. Wat kan er nu mis zijn met mensen die van op een podium kwistig motivatie in het rond doen stuiven? Wel, ik zal het u zeggen. Om te beginnen lijken al die sprekers ongelooflijk sterk op elkaar. Anders gezegd: ze zijn wel van diverse pluimage, maar ze sturen allemaal die ene foto rond waarop ze het meest op Gert Verhulst lijken. Het zou best kunnen dat al die sprekers dezelfde stamvader hebben maar doe geen moeite om dat uit te zoeken – mocht u op iemand stuiten, dan mag u er zeker van zijn dat die alles zal ontkennen.

Om te herbeginnen hebben die sprekers op de merkwaardige foto allemaal zo’n piepklein draadloos telefoontje op hun wang gekleefd zoals de nieuwslezers. Nu zijn die kleine spullen uitgevonden om discreet in het beeld op te gaan. Niet om speciaal met die kant van je hoofd naar de camera te gaan staan als iemand een promofoto van je schiet. Zo’n spreker is perfect te fotograferen zonder wangmicrofoon, of indien mét, vanuit een hoek van waaruit het ding niet opvalt. Maar neen, allemaal reiken ze de fotograaf de wang aan met de plakker. Zodat u de microfoon niet kunt missen en denkt: tiens, een microfoon. Die kerel is een echte professional.

U krijgt maar één kans om de microfoon toch nog te missen: als u wordt afgeleid door de brede armgebaren des sprekers. Meestal poseert de man in een houding die doet veronderstellen dat hij op een druk kruispunt in het centrum van Oostende staat en daar een kudde aangespoelde potvissen terug de Noordzee in wil drijven. Armen kunnen niet spreken maar ze kunnen wel Toe-maar-jongens-de-beuk-erin zeggen en dat doen de armen van motivational speakers tot de beuk er aan het andere eind uit komt.

Stuk voor stuk zijn de sprekers succesvolle zakenlui die reeds op zeer jonge leeftijd een bloeiende eigen zaak uit de grond hebben gestampt, verkoper van het decennium zijn geworden of iets van die strekking hebben verwezenlijkt. En beroemd zijn ze ook allemaal, dat staat er immers bij. Want u zou zulks wel eens over het hoofd kunnen hebben gezien omdat u, om maar iets te zeggen, nog nooit van ze heeft gehoord. Ze zijn zo beroemd, dat ze aan wildvreemde lieden ongevraagd mails moeten sturen om hun zaal vol te krijgen. O wacht, dat is altijd omdat er nog slechts een handvol plaatsen beschikbaar is tegen de vroege boekingsprijs. En ze mailen u nooit zomaar. U hoort altijd bij een bijzonder scherp afgelijnde doelgroep als ‘ondernemers, verkopers, voorzitters, politiekers…’ – kortom, iedereen is welkom maar het is speciaal voor ú!

De sprekers willen u ook nooit ‘iets aanleren’, neen, ze willen ‘hun geheimen delen met u’. Terwijl een geheim pas echt waardevol blijft als je het bewaart. Als ze daar nu eens over zouden nadenken. Want mijn mailbox zal opgelucht ademhalen als ze die geheimen voortaan meenemen in het graf.

 

Verschenen in De Standaard op zaterdag 22 maart 2008.

Posted by Geert at 09:03:27 | Permalink | No Comments »