Thursday, June 26, 2008

Het juiste woord

Er zijn maar een paar mensen die ik niet graag tegenkom op een receptie en helaas zijn ze er altijd. De verwarde geest die je er vijf minuten lang van probeert te overtuigen dat je samen met hem heb op school hebt gezeten, en er dan ineens achterkomt dat hij je voor iemand anders heeft aangezien. De luidruchtige brulboei die bij elk vermoeden van een grap zo luid gaat lachen dat de toastjes ondersteboven gaan liggen van pure schrik. De onverlaat die op een eenvoudige, beleefde vraag als ‘hoe maakt u het’ antwoordt met een opsomming van de jongste drie huidziekten waarvan hij het slachtoffer is geweest. En daarvan foto’s mee heeft. En de winnaar van de gouden medaille: de flurk (m/v) die met dertien meningen binnenkomt en als die naar huis gaat zijn ze allemaal op.

Gelukkig is deze laatste gemakkelijk te herkennen. Er staat altijd een groepje rond dat almaar kleiner wordt. De eerste die zich losmaakt van de ergerlijke prater heeft het gemakkelijk. Even iets mompelen dat klinkt als ‘excuseer’ en verdwijnen in de richting van de toiletten doet het al. De tweede en de derde redden zich ook wel. De ene kan doen of er een pit in het verkeerde keelgat is geschoten en de andere kan hem, hevig tussen zijn schouderbladen timmerend, wegsleuren naar iemand die wél het Heimlich-maneuver kent.

Maar wie zich verslikt in de praatvaar is eraan voor de moeite. Laatst raakte ik op een receptie ingesloten in een groepje met zo’n weetal die meteen boven het geroezemoes gaat uitsteken. Hij was overduidelijk de minst politiek correcte van ons vijftal en slaagde erin het gesprek altijd opnieuw af te leiden naar zijn geliefkoosde onderwerp: de zigeuners. Af en toe zong hij er de lof van, zodat hij niet meteen van racisme kon worden beschuldigd, maar dat was louter een list. Zodra hij daartoe kans zag, deed hij het gesprek overslaan naar grove veralgemeningen en dan bleek al gauw dat hij de overtuiging was toegedaan dat iedere zigeuner geboren wordt met één hand in de zak van iemand anders. En dat hij niet snapte dat je zomaar met vijftig woonwagens een braakliggend terrein op rijdt en dan zeurt dat er geen douches of hot spots zijn. Technisch was de man niet erg onderlegd. Toen hij zich hardop afvroeg “waar die gasten zonder huis dan wel hun gsm’s konden opladen” en iemand voorzichtig suggereerde dat zulks wellicht geen probleem is in een moderne woonwagen, barstte hij uit in hoongelach en vroeg waar ze die woonwagens dan wel konden opladen.

Nu verbaasden de uitlatingen van de man mij niet, en eerlijk gezegd begreep ik ook wel waarom niemand van ons groepje enige moeite deed om de man tot andere inzichten te brengen of op zijn minst wat gevoel voor nuance bij te brengen. Het leek niet het type dat vlug bijleert en het was tenslotte voor ons allen een avondje vrij. Wat mij wel verbaasde, is dat niemand er ook maar een opmerking over maakte dat de kerel het woord zigeuner niet één keer juist uitsprak. In plaats daarvan had hij het de hele tijd over zineugers. Een beetje spellingchecker onderstreept dat meteen met rood maar op een feestje ben je voor zoiets toch afhankelijk van een beleefde wenk van een goedmenende gesprekspartner.

De eerste keer dat je het hoort denk je dat het een verspreking is, en laat je de mantels der liefde al aanrukken, maar na een paar keer dringt het door: hij zegt écht altijd zineuger! En na enkele keren wordt het gewoon gênant om er nog iets van te zeggen. Want dan gaat zo’n gozer zich natuurlijk afvragen waarom je daar niet eerder iets van hebt gezegd.

Ondertussen kwam ik ook achter de ware reden waarom de spreker nooit werd tegengesproken of gecorrigeerd. Zijn andere toehoorders stonden daar al een paar minuten met een rode kop hun lach in te houden. Telkens als iemand een goede smoes klaar had om het gesprek te verlaten, zei die kerel weer zineuger in plaats van zigeuner, en dan was het weer een kwestie van bijten op je tong tot het overging.

Ik probeerde nog om hem discreet op het juiste spoor te zetten, door zelf in de fout te gaan. Dan zei ik ‘antuurlijk’ en ‘zeker en vats’ in de hoop dat zulks zijn hersenen zou rebooten zonder dat hij er zelf iets voor hoefde te doen – sommige mensen zijn de grootste vijand van hun eigen hersenen – maar het werkte niet. Onze beleefdheid bleef niet duren. De kerel bracht zichzelf de genadeslag toe. “Maar ja, ik zeg zineuger. En dat moogt ge niet eens zeggen! Ha ja?” riep hij ineens. Wij keken elkaar aan. Was het eindelijk tot hem doorgedrongen? Maar neen, hij hielp ons meteen uit de droom. “Ge moogt dat niet zeggen, zineuger! Hah! Neen, ge moet roma zeggen!” Waarop de ene deed of hij een lens was verloren, een andere wuifde naar een denkbeeldige kennis aan het andere eind en er heen stoof, en ik samen met de rest helaas alleen nog in lachen kon uitbarsten. Niet dat de kerel dacht dat we hem uitlachten, want hij lachte hartelijk mee en proeste: “Ja, belachelijk hé? Roma!” Ik ben weggerend voor hij eraan kon toevoegen dat Roma ook een merk van frituurhapjes was. Mensen uitlachen doe ik niet graag. Dat zijn geen namieren.

 

(verschenen in De Standaard op zaterdag 21 juni 2008)

Posted by Geert at 07:41:50 | Permalink | No Comments »

Saturday, June 7, 2008

Dat toontje

Hou het onder ons, maar er is niets mis met een vriendelijke stem die je op een keurige, zakelijke toon iets interessants meedeelt. Dat voorrecht wordt ons evenwel zelden gegund. Niet dat ik er op kick om aan de telefoon te worden afgeblaft als ik een helpdesk bel of ergens anders mijn oor te luisteren leg. Neen, ongelikte beren en gestampte boeren kunnen mij gestolen worden. Niet getreurd: dezer dagen krijgen we hoe langer hoe meer te maken met het andere uiterste.

 

Mensen die om den brode andere mensen telefonisch moeten opvangen of ter wille zijn, wordt tegenwoordig aangeleerd dat ze alle klanten met een ongebreidelde empathie en uiterst zalvende en minnekozende fraseringen te woord moeten staan. Het resultaat is een onhebbelijk toontje dat neigt naar ongewenste intimiteiten en ik krijg er de kriebels van.

Je hoort het ook overal. Zelfs als er vandaag iemand op de radio wordt geïnterviewd, en al helemaal als het gaat om iemand die niet echt tot het publieke leven behoort. Dan hoor je wel eens dat de interviewer zich van dat toontje bedient. Pas op, gemakkelijk kan dat niet zijn. Je hoort dan de vraag: “En hoe voelde dat aan, toen uw ouders uit elkaar gingen tussen het hoofdgerecht en het dessert op uw communiefeest?” maar eigenlijk klinkt het als “u moet niet bang zijn want u bent hier bij ons fijn op de radio en wij zien u allemaal heel graag en zolang u maar op uw gemak bent en niet denkt dat er luisteraars zijn die nare dingen over u kunnen denken blijven we hier gezellig babbelen”. Kent u die tekstballonnetjes uit Asterix? Telkens als Obelix een beetje wil flemen of paaien is de rand van het betrokken tekstbelletje omkleed met lieflijk ogende bloemen. Dát toontje dus.

Als iemand mij op de autoradio komt vertellen waar de files staan en hoe lang ze zijn, hoeft dat echt niet te gebeuren op een toontje dat ik alleen passend vindt wanneer de spreker mij tegelijk inzeept en mijn tenen masseert. Beleefd en zakelijk, dan zijn wij al lang blij.

Zeker aan de telefoon, wanneer je gewoon inlichtingen wil vragen of een afspraak maken voor een of ander bezoek. Zo kwam ik een paar dagen geleden thuis en stond er iemand van een telefoniebedrijf op het bandje – laten we het T. noemen. T. exploiteert de lijn waarmee ik voor de buitenwereld toegankelijk blijf en de vraag was of ik eens kon terugbellen, want mijn telefoonmodem was aan vervanging toe. Dat geloofde ik meteen, want dat modem is gemaakt van bakeliet en heeft nog een zwengel en een schoorsteen.

Dus ik bel T. terug en krijg een meisje aan de lijn, laten we haar Gladje noemen. Geen kwaad woord over Gladje, ze was vriendelijk en heeft mij erg goed geholpen. Maar daar had je dat toontje weer! Ze sprak mij toe met een stemgeluid dat gemaakt is om huwelijken op de klippen te doen lopen. Gladje zat aan een bureau met veel formica en een computer, heb ik uit goede bron vernomen, maar dat was er absoluut niet aan te horen. Neen, Gladje sprak mij toe alsof ze in een licht pruttelende jacuzzi zat, met een blote voet balancerend op de rand en af en toe nippend van een cocktail waarvan minstens twee ingrediënten alleen in de betere delicatessenzaak te vinden zijn. Een handvol geoliede herenslaven stonden haar met palmbladeren koelte toe te wuiven en Sfinkske, de naaktkat met stamboom, lag te spinnen op een kussen van Dries Van Noten. Gedempt op de achtergrond hoorde ik een zwoele saxofoonsolo maar het kan zijn dat ik me dat heb ingebeeld. Op een toon die dan en alleen dan vanzelf mag komen, informeerde ze me over mijn modempje dat echt wel toe was aan een gratis vervanging door een nieuwtje, en dat we gezellig samen een dagje zouden kiezen dat geschikt was en dan een afspraakje zouden maken zodat een medewerker van de technische dienst niet vruchteloos aan mijn deurbel moest komen hangen. En dat ik vooraf nog een sms’je of een voicemeeltje zou krijgen ook zodat ik de modemvervanger relaxt kon ontvangen. Ondertussen is alles in orde en ik heb een nieuw modem en het werkt volledig naar wens. Ik denk dat ik straks maar eens naar Gladje bel om te bedanken voor de vlotte dienstverlening. Als u vrij bent om op de achtergrond van awimoweh awimoweh te komen zingen, hou u niet in.

 

(verschenen in De Standaard op zaterdag 7 juni 2008)

Posted by Geert at 16:30:11 | Permalink | No Comments »