Punthoofd
Omdat ik een pakje moest versturen, repte ik mij naar het postkantoor in de buurt. Daar aangekomen bleek meteen dat al die haast hooguit voor mijn conditie een verschil zou maken. Er slingerde een teleurstellend lange rij klanten door de hal tot voor het ene loket dat open was. Doolhofconstructies met paaltjes en linten die de bezoekers kronkelend naar de lokettenrij loodsen, hebben iets sadistisch. Net als je zo dicht bij een loket bent dat je het glas kunt aanraken, blijk je weer achteraan een rij te staan die van de loketten naar de muur aan de overkant schuifelt. Niet dat ik daar kleinzerig over wil doen. Als er veel volk is, moet je aanschuiven. Simpeler kan niet. Gewoon een kwestie van kalm blijven. Want binnensmonds vloekt een mens wat af, als je voor een boodschap van twee minuten een kwartier in de rij moet staan. Misschien was de rest van het loketpersoneel wel in middagpauze en daar moet je respect voor hebben. Het zou proper zijn als ze met boterhamhanden onze poststukken zouden frankeren.
Er kwam iemand binnen die achter mij in de rij ging staan. Niet van harte. Dat merkte ik aan de diepe zucht en het “tsss tsss” geluidje dat hij tussen zijn lippen afvuurde. Dat herhaalde hij toen ik hem niet meteen de nodige aandacht gaf.
Ik hou niet zo van mensen die in een rij de hele tijd mopperen dat ze in de rij staan. Nog nooit heb ik door hun gezeur een rij sneller zien vooruitgaan en veel vrolijker wordt een mens niet van al dat klagen. Maar ik voelde dat het Tsss Tsss menens was. Ik draaide me om hij sloeg zijn kin even de hoogte in. “Hah! Tsss…” deed hij. Ik haalde mijn schouders op en schonk hem een blik die hopelijk duidelijk maakte dat ik het ook niet kon helpen - dat we nu eenmaal moesten aanschuiven tot we aan de beurt waren.
“Zo is het niet moeilijk, hé? Hm! Tsss,” ging hij verder. Ik nam mij voor om dat omdraaien en snel terugdraaien toch wat beter te oefenen. Nu was het gesprek begonnen en ik had zo het gevoel dat het niet vlot af te breken zou zijn. Nog voor ik hem vragend kon aankijken bitste hij: “Eerst sluiten ze de helft van de postkantoren en dan verschieten ze dat er te veel volk staat bij de rest. Daar zit dan één rund achter het glas. Weet je hoe je loketbediende wordt bij de post?” Ik had geen idee. “Na een lobotomie,” zei Tsss en hij proestte het uit om zijn grapje. Ik proestte wat mee want het was nog een heel eind aanschuiven. Hij hield zijn vinger tegen zijn lippen. “Ssst,” deed Tsss en hij fluisterde: “Als je met ze lacht, doen ze moeilijk als je aan de beurt komt.”
“Wat wil je, die mensen doen ook maar hun werk,” opperde ik maar dat ontmoedigde Tsss geenszins. “Is meneer niet op de hoogte van het experiment waar de post mee bezig is?” Ik was niet op de hoogte. “Ze vertellen hun loketbedienden niets meer. Ze lanceren het ene na het andere product maar hun personeel wordt niet ingelicht. Tsss. Probeer het maar!” Ik had zo het vermoeden dat Tsss het al had geprobeerd. “Laatst met de feestdagen wilde ik enkele leuke postzegels kopen voor op de kaartjes naar de familie. Die zegels met Kuifje of Snoopy er op of weet ik veel wie van Disney… kinderen zien dat graag. Dus ik ga naar die trien achter glas en vraag of ze me wat van die Duostamps kan laten zien. Ik zeg er nog bij dat ze per vijf op een stickervel zitten. Veel duidelijker kan niet, waar of waar?” Ik telde uit een ooghoek hoeveel wachtenden er nog voor mij stonden. “Dat bestaat niet, hoor, zegt die trut. Be-staat-niet! En ze bekijkt mij alsof ik haar heb gevraagd of ze ook boterkoeken verkopen bij de post! Ze zetten van alles en nog wat op hun website maar dat flutvolk achter de loketten mag daar volgens mij niet eens naar kijken. Dus ik dreig met een klacht want ze moeten de mensen helpen verdomme. Om een lang verhaal kort te maken, de postmeester is haar moeten komen tonen in welke lade die postzegels zaten. Ongelooflijk toch!” Ik geloofde het toch maar.
“Ooit stond ik hier met een folder die in alle brievenbussen had gezeten. Knalrood, logo van De Post keigroot voorop. Vraag ik of ze die vouwdozen in huis hebben. Postpacs. Jongens, heb ik me daar een post gepakt, ja! Wat zegt die koe? “Dat is niet van ons, hoor!” Niet van ons! En ik hield die folder onder haar neus! Dat is zoiets als een slager die zegt: pardon meneer maar wij verkopen geen vlees. Dat is met uw voeten rammelen, hé? Tsss!” Rammelen was het, onmiskenbaar.
“Nu, lang zal het hier niet meer duren. Dit kantoor gaat ook dicht. Ze zeggen van niet maar mij maak je niks meer wijs. Dan moeten we naar zo’n postpunt ergens achterin een buurtwinkel. Waar je dan ook niets meer moet vragen, wedden? Daar kunnen ze altijd doen of hun neus bloedt. Kijk, hier heb je nu nog altijd een postmeester. Maar dat heb je in zo’n postpunt niet! Ik weet niet wat ze daar dan hebben…” sakkerde hij. “Een postpunthoofd?” probeerde ik. Tsss lachte. Een post-punthoofd! Ja, dat had hij er zelf wel eens van gekregen. Maar hij deed me teken dat we beter zwegen. Ik was bijna aan de beurt. Hij wilde niet dat de trien moeilijk ging doen. Tsss hield zelfs op met zuchten toen ik eindelijk mijn pakje in de sluis mocht steken. Het ging verder niet moeilijk. Ik betaalde voor de port en bedankte. Terwijl ik mijn wisselgeld opborg stond Tsss al voor het loket. “Hm. Ik kom een pakje afhalen. Ik heb dat briefje van in mijn bus niet mee maar ik heb hier wel mijn identiteitskaart… oh verrek, ik heb ook geen identiteitskaart bij,” klonk het. Ik maakte dat ik wegkwam.
Verschenen in De Standaard op zaterdag 16 februari 2008.