Poes wordt moe
De poes wordt oud en moe. Oud, dat weet ik omdat ik nog een beetje kan rekenen. Moe, dat weet ik omdat ze me daar de laatste tijd subtiel op wijst. Subtiel, dat wil zeggen: als het licht te lang aan blijft en ik mijn bed te laat opzoek, gaat ze luid jankend rond de stoel of zetel paraderen. Tot de flat in gezellige duisternis gehuld is. Mevrouw ziet toch in het donker. Dat gejammer werkt wel.
Op televisie hoor je katten wel eens lieflijk en vertederend miauwen maar mijn kat kijkt nooit naar televisie. Lieflijk zijn en vertederen is aan haar niet besteed. Mijn kat is strictly old skool. Zo’n gezellig spinnende schootkat, die de hele tijd kopjes geeft of geaaid wil worden, daar haalt ze haar kont voor op. Ik ben er zeker van dat als je haar flank scheert, dat er een tatoeage tevoorschijn komt. ‘Tot hier en niet verder,’ wellicht. Toen ik haar eens bij de dierenarts moest achterlaten, verwelkomde de man mij bij het afhalen met een pijnlijke grimas. Er zaten verse kleefverbandjes op zijn handen. “Het is nogal een karaktertje,” was alles wat hij zei toen ik informeerde of alles goed was verlopen. Waarna hij verhuisde zonder een nieuw adres achter te laten. Ik wil maar zeggen: old skool.
Ze is er dol op dat er bezoek komt, omdat ze dan ergens ver weg kruipt waar ik haar niet kan onderuit halen. De enige manier waarop gasten kennis kunnen maken met de poes is haar volstrekt negeren. Dan komt ze na een tijdje wel onder een zetel uit gekropen en speelt ze haar favoriete spelletje. Ze verspreidt een verdachte vanillegeur, beweegt haar schouders en rug zo sierlijk dat ik haar ervan verdenk stiekem toch wel eens naar televisie te kijken, en kijkt de bezoeker aan met een blik die een tienermeisje prompt een maand kamerarrest zou opleveren. Ze maakt daarbij geluiden die bezoekers geheel verkeerdelijk vertalen naar: ‘Neem mij eens van de vloer op, streel mij eens, knuffel er op los’. Terwijl ik al lang weet dat wat ze zegt, veeleer mag worden vertaald als: ‘Raak mij aan en dan mag ik de botjes in je vingers eens van dichtbij bekijken’. Ik probeer dan wel uit te leggen hoe het zit maar keer op keer gaat iemand toch door de knieën, daar komt dat kopje al, daar gaat die hand, dan wordt mevrouw gestreeld en hoor ik het immer triomfantelijke: “Zie je wel, zie je wel! Zo’n lieve poes…” En dat signaal herken ik.
Dat wordt onmiddellijk gevolgd door een flinke uithaal van een voorpoot waarna niemand zich nog afvraagt of het waar is dat katten hun nagels naar believen kunnen intrekken en spreiden. Terwijl de kat al lang weer op haar geliefkoosde schuilplek maft, sta ik dan gewoonlijk naast het slachtoffer bij de wastafel en reik ik wat ontsmettingsspray aan. Veel meer dan “het is nogal een karaktertje” weet ik dan ook niet te zeggen.
Wat heeft de mens ooit op het idee gebracht om katten te proberen domesticeren? Van paarden kan ik het wel begrijpen. Zelf karren voorttrekken, dat gaat vervelen na een tijdje. Van honden begrijp ik het ook. Die waren handig voor de kleinere karren, ze konden helpen bij het jagen en bleken goede wakers. Ik begrijp het zelfs van duiven. Die kon je met een brief op pad sturen en dat ging direct van prior. Maar katten!
Aan een kat heb je niets bij de jacht. Je kunt proberen een poes naar een hert te gooien en hopen dat ze zo te keer gaat dat het hert er van pure ellende bij gaat liggen, maar als je zo jaagt kun je maar beter vegetariër zijn. Een poes een karretje laten trekken slaat ook nergens op, tenzij je dat karretje tot het einde der tijden van kasten en onder zetels vandaan wil halen.
Het schijnt dat ze ooit handig waren als bestrijder van ongedierte en muizenvangers. Dat moeten fabeltjes zijn. Een moderne kat vangt geen muizen. Een moderne kat lust geen muizen, zelfs al vang je ze zelf en laat je ze een nachtje marineren voor je ze opdient. Niet dat ik dat ooit heb geprobeerd, natuurlijk. Toch geen twee keer.
Een kat in huis halen, dat is een beetje zoals een kind willen, maar die leuke jaren van als ze klein zijn over te slaan, en meteen te gaan voor eentje die van het begin tot het einde een weerbarstige puber is. Het zijn eigenzinnige, nukkige krengen. Ik zou ze niet gemakkelijk kunnen missen.
Verschenen in De Standaard op zaterdag 4 oktober 2008.
Hallo geert,
Waarom denk je dat mannen blijven houden van “kattige” vrouwen?
Ik denk dat dat de zelfde microbe is.
Ik heb er 2(katten)
Nancy
The blog looks nice in this style,i like it very much.