Monday, April 7, 2008

Over To You!

Radio news reader 1: “What do our listeners’ think about this issue? Do you have any thoughts? What are those thoughts? Will you tell us them? Any thoughts at all will do. If you have ‘m, we want to hear them!”

Radio news reader 2: “Are you personally affected by this issue? Then e-mail us! Or if you’re not affected by this issue, can you imagine what it would be like if you were? Or if you are affected by it but don’t want to talk about it, can you imagine what it would be like… not being affected by it? Why not e-mail us and tell us?”

Radio news reader 1: “Yes, why not? What possible reason could there be for you not to e-mail us? Certainly ignorance shouldn’t be a bar! You may not know anything about the issue but I bet you reckon something! So why not tell us  what you reckon? Let us enjoy the full majesty of your uninformed ad hoc reckon, by going to bbc.co.uk/radiofour, clicking on ‘what I reckon’, and then simply beating on the keyboard with your fists or hand.”

 

(That Mitchell and Webb Sound, series 3 – BBC Radio 4)   

Posted by Geert at 09:32:08 | Permalink | No Comments »

Koning auto

Woorden gaan niet lang mee. Er komt stof op als we ze niet vaak genoeg gebruiken en zo verliezen ze hun waarde. Dan doen ze voor de gebruiker wat jaarringen doen voor bomen: ze verraden genadeloos de leeftijd. Gewoon door uw woordkeuze geeft u zichzelf prijs. Zo komt het dat mensen aan de telefoon kunnen horen of u al kleinkinderen heeft of niet. Daar is niets aan te doen en erg is het evenmin. Kleinkinderen hebben is geen schande.

Pijnlijker is het gesteld met woorden en uitdrukkingen die zo vaak worden gebruikt dat het stof geen kans maakt, maar toch van een verdiende rust zouden moeten genieten. Ze hebben hun inhoud wel bewaard, maar al hun kracht verloren. Denk maar aan woorden als consumptiemaatschappij, kampvuur en koning auto. De drie k’s, of toch bijna.

Die woorden horen, roept altijd een beeld op van baard, slobbertrui en geitenwollen sokken. Of het nu een vrouwenstem of een mannenstem is die ze uitspreekt. Niet dat we een kampvuur naar het verleden moeten verbannen. Een kampvuur geeft nog altijd warmte. Maar er rond gaan zitten en met een tweedehandse gitaar liedjes zingen tegen de oorlog in Viëtnam heeft zijn beste tijd gehad. Historici hebben die beste tijd eerder omschreven als: ten tijde van de oorlog in Viëtnam. Er worden weinig liedjes geschreven tegen de oorlogen van vandaag en wie een carrière wil bouwen op het met nasale stem vertolken van gezongen klachten tegen de toestand in Darfoer, maakt het zichzelf niet gemakkelijk.

Met de consumptiemaatschappij is het ook niet zo best gesteld. Niet met de bedoelde maatschappij, maar nog meer betreurenswaardig is de toestand van het woord. Ooit was het woord ‘consumptiemaatschappij’ een verbale kaakslag, vooral in combinatie met de woorden ‘slachtoffers van de’ ervoor. Het stemde mensen tot nadenken. Het riep vragen op. Het deed bij miljoenen mensen het gloeilampje verschijnen dat in strips aanfloept boven het hoofd van de held die net een verlossende gedachte krijgt. Het heeft ons geleerd dat we inderdaad niet alles moeten willen, hebben en krijgen, gewoon omdat het er is. Dus hiep, hiep hoera voor het woord consumptiemaatschappij. Maar heden mag het met pensioen. Wie het woord vandaag gebruikt, klinkt toch alsof hij het gisteren pas voor het eerst gehoord heeft. Terwijl het een gegeven is geworden. Vogels zullen wel ooit wel eens vliegdieren hebben genoemd en vissen zwemdieren, maar zo gauw iedereen weet dat merels kunnen vliegen en een snoek zich goed voelt in het water, moeten we vooruit.

De ergste woorden die tegen wil en dank en tegen elk advies in de tand des tijds hebben getrotseerd – maar helaas niet doorstaan – zijn ‘koning’ en ‘auto’. Ooit was dat een kopstoot van een term. Toen we met zijn allen na lang sparen elk een wagentje hadden gekocht omdat in de krant had gestaan dat de auto gedemocratiseerd was. Toen een minister nog een held kon worden door hier en daar een derde rijvak naast twee bestaande te trekken. Toen je alleen nog maar de echte Mini, de echte kever en de echte Fiat 500 had. ‘Koning auto’ werkte ook alleen maar goed als je er een welgemikte gniffel aan vooraf liet gaan. Dat ging dan van “Maar ja, we hebben alles geofferd aan, hmpfff, koning auto!” Een extra gniffel achteraan was er wat over maar iemand met een ringbaard kon zich dan wel nog een grijns veroorloven. Vandaag nog van koning auto spreken, is belachelijk. Zelfs al is de republiek Fiets nog lang niet uitgeroepen. Slechts weinig mensen die ’s morgens en ’s avonds in de ellenlange files staan, doen dat omdat ze het plezant vinden of omdat ze tegen het openbaar vervoer zijn. Je hoeft niet Jeremy Clarkson of Jean-Marie Dedecker te heten om dat in te zien. Weinig filerijders voelen zich als een vorst behandeld, als ze weer eens een uur lang naar de kont van een kever hebben zitten staren. Dan maakt het echt niet uit of het een oldtimer is of een New Beetle. Koning auto is al lang onttroond en al lijkt het tijdens het autosalon soms nog even dat hij een absolute vorst is, we weten wel beter. Zijn koningschap is symbolisch en decoratief. Uw auto knipt lintjes door, uw auto heerst niet over ’s lands wegen. Dus als u nog eens een zweetgeur waarneemt en iemand de woorden ‘koning’ en ‘auto’ hoort gebruiken in een andere zin dan “die jongste zoon van de koning heeft toch wel een paar leuke auto’s”, doe of u het niet hoort. Dan verzinnen ze vanzelf wel eens een ander woord. Onze taal kan er maar rijker van worden.

 

Verschenen in De Standaard op zaterdag 5 april 2008.

Posted by Geert at 09:05:19 | Permalink | No Comments »

Toe maar jongens de beuk er in

De jongste maanden krijg ik ongevraagd veel briefwisseling en mails uit hoeken van waaruit ik voorheen zelden nieuws kreeg: de sector van de motivational speakers en succes coaches. Yes! En ik moet zeggen dat het al een beetje werkt. Ik ben onderhand heel sterk gemotiveerd om mij met succes uit die kerels hun adressenbestanden te doen schrappen. Niet dat er iets mis is met motivatie, integendeel. Ik heb ook wel eens gehoord van ‘de drie m’s van het slagen’ – motivatie, motivatie en motivatie.

Motivatie doet mensen koersen winnen, deadlines halen, veldslagen winnen, en gerechten proberen te doen lijken op de foto die naast het recept staat. Mij hoort u niet zeggen dat motivatie iets negatiefs is. Dat zou ontmoedigend zijn. Maar die meestal in slecht Nederlands gestelde mailtjes doen vermoeden dat een stel hansworsten veel geld verdient door ons allemaal iets te komen leren waarvan wij eigenlijk niet weten of ze dat zelf wel onder de knie hebben.

U heeft er natuurlijk geen boodschap aan dat ik er maar blijf over emmeren dat ik die lefdokters niet vertrouw. Waarom dan, hoor ik u roepen. Wat kan er nu mis zijn met mensen die van op een podium kwistig motivatie in het rond doen stuiven? Wel, ik zal het u zeggen. Om te beginnen lijken al die sprekers ongelooflijk sterk op elkaar. Anders gezegd: ze zijn wel van diverse pluimage, maar ze sturen allemaal die ene foto rond waarop ze het meest op Gert Verhulst lijken. Het zou best kunnen dat al die sprekers dezelfde stamvader hebben maar doe geen moeite om dat uit te zoeken – mocht u op iemand stuiten, dan mag u er zeker van zijn dat die alles zal ontkennen.

Om te herbeginnen hebben die sprekers op de merkwaardige foto allemaal zo’n piepklein draadloos telefoontje op hun wang gekleefd zoals de nieuwslezers. Nu zijn die kleine spullen uitgevonden om discreet in het beeld op te gaan. Niet om speciaal met die kant van je hoofd naar de camera te gaan staan als iemand een promofoto van je schiet. Zo’n spreker is perfect te fotograferen zonder wangmicrofoon, of indien mét, vanuit een hoek van waaruit het ding niet opvalt. Maar neen, allemaal reiken ze de fotograaf de wang aan met de plakker. Zodat u de microfoon niet kunt missen en denkt: tiens, een microfoon. Die kerel is een echte professional.

U krijgt maar één kans om de microfoon toch nog te missen: als u wordt afgeleid door de brede armgebaren des sprekers. Meestal poseert de man in een houding die doet veronderstellen dat hij op een druk kruispunt in het centrum van Oostende staat en daar een kudde aangespoelde potvissen terug de Noordzee in wil drijven. Armen kunnen niet spreken maar ze kunnen wel Toe-maar-jongens-de-beuk-erin zeggen en dat doen de armen van motivational speakers tot de beuk er aan het andere eind uit komt.

Stuk voor stuk zijn de sprekers succesvolle zakenlui die reeds op zeer jonge leeftijd een bloeiende eigen zaak uit de grond hebben gestampt, verkoper van het decennium zijn geworden of iets van die strekking hebben verwezenlijkt. En beroemd zijn ze ook allemaal, dat staat er immers bij. Want u zou zulks wel eens over het hoofd kunnen hebben gezien omdat u, om maar iets te zeggen, nog nooit van ze heeft gehoord. Ze zijn zo beroemd, dat ze aan wildvreemde lieden ongevraagd mails moeten sturen om hun zaal vol te krijgen. O wacht, dat is altijd omdat er nog slechts een handvol plaatsen beschikbaar is tegen de vroege boekingsprijs. En ze mailen u nooit zomaar. U hoort altijd bij een bijzonder scherp afgelijnde doelgroep als ‘ondernemers, verkopers, voorzitters, politiekers…’ – kortom, iedereen is welkom maar het is speciaal voor ú!

De sprekers willen u ook nooit ‘iets aanleren’, neen, ze willen ‘hun geheimen delen met u’. Terwijl een geheim pas echt waardevol blijft als je het bewaart. Als ze daar nu eens over zouden nadenken. Want mijn mailbox zal opgelucht ademhalen als ze die geheimen voortaan meenemen in het graf.

 

Verschenen in De Standaard op zaterdag 22 maart 2008.

Posted by Geert at 09:03:27 | Permalink | No Comments »