Monday, February 12, 2007

Met mes, zonder vork

Een tijdje geleden trok ik de winkelstraten van de stad in, om het met de woorden van Raymond van het Groenewoud te zeggen, om cadeautjes te kopen. Heeft u dat ook soms, dat u bij het cadeautjes kopen ineens uzelf wilt verrassen? Ik wel. Dus toen ik in een winkel vol van het betere keukengerei een stuk of wat leuke spullen had laten inpakken, maakte ik gebruik van een moment onoplettendheid van mij om mezelf te verrassen met een set van drie schier perfecte keukenmessen.

O, wat zou ik blij zijn als ik me daarmee zag thuiskomen. Een mesje om fruit mee te schillen, een vleesmes en een cheffenmes waarmee je zelfs een chef als Herwig Van Hove in kleine stukjes kon hakken. Van een onklopbaar Japans merk. Die Japanners hebben per slot van rekening harakiri bedacht, de scherpte en de handelbaarheid van een mes zijn daar van meer dan symbolisch belang.

Ik ben er braaf mee naar huis gegaan. Niet eerder dan dat ik de deur achter me had gesloten, heb ik de messen voorzichtig uit het karton gehaald, ze een eerste wasbeurt gegund en ze netjes in het messenblok geschoven. Maar het had ook anders kunnen lopen. Stel dat ik moe was geweest van het winkelen. Dan was ik vast een café binnengestapt om, de winkelwaar tegen mijn stoel aanleunend, een koffie te nuttigen. Nu moet u zich dat eens voorstellen. Ik zit daar rustig, me van geen kwaad bewust, te genieten van een vrije dag. De koffie is heet, maar dat kan mij niet schelen, ik blader wat door een achteloos achtergelaten krant en tel mijn boodschappen na. En ja, ik kan het niet nalaten om die messen uit te pakken. Nieuwsgierig – zouden ze er zo goed uitzien als in de winkel? – ruk ik het plastic los en scheur ik het karton in repen. Daar liggen ze dan voor me. Drie echte Globals. Van mij. Hehe. Ineens staat er een bonkige kerel recht, die aan de toog zat en net één ochtendlijke pint te veel heeft achterover geslagen. Onderweg naar het toilet blijft hij even naast mijn tafeltje staan, gniffelt en roept over zijn schouder naar zijn eveneens aangeschoten maat naast de lege barkruk: “Hé, ge moet die onnozelaar met zijn messen hier eens zien zitten!” Waarna hij zich naar mij buigt en zijn tong uitsteekt, en zijn mouwen oprolt. Geschrokken grijp ik naar het vleesmes en plant het tussen ’s mans ribben om erger te voorkomen.

Pas op, dat is niet gebeurd, maar ik wil maar zeggen. Dat is ongeveer de enige situatie waarin ik me zou kunnen inbeelden dat ik voor een rechtbank moet verschijnen, verdacht van geweldpleging, en dat ik zou durven pleiten dat ik dat mes per ongeluk bij de hand had en dat het niet in mijn aard ligt om mensen die ik niet graag heb lek te steken voor een niemendal. Ik besef dat ik daarmee inga tegen een trend. Tegenwoordig kun je gerust met een tank de straat oprijden en, als je bij het afslaan naar rechts gehinderd wordt door een gele Toyota Corolla, een obus op de bestuurder ervan afvuren, en daarna beweren dat je hem alleen maar even wilde laten schrikken.

Niet dat ik het niet begrijp. Er is een verschil tussen iemand die naar de winkel gaat om een slagersmes, zegt dat het moet zijn om iemand dood te steken, en na vakkundig advies een paar straten verder een oude rivaal koud maakt, en iemand die moe getergd is en kwaad wordt en zijn toevlucht neemt tot iets want hem of haar kracht moet bijzetten. Alleen: zijn we stilaan niet wat al te mild geworden over die ‘bedoeling om iemand te doden’? Het kan zijn dat ik de laatste weken met de verkeerde ogen de krantenberichten heb gelezen, maar ik krijg de indruk dat iets als ‘met voorbedachten rade’ vernauwd is tot: ‘vooraf in minstens vier kranten te hebben gepubliceerd dat men de intentie had om het slachtoffer te doden’. Wat krijg je dan? Iemand die met een geladen pistool én met 41 extra kogels naar een café stapt, en na de onvermijdelijke schietpartij doodleuk verklaart dat hij alleen maar een mep wilde uitdelen met het pistool.

Misschien hopen messendragers inderdaad alleen maar dat ze ooit het meisje van hun dromen tegenkomen, met opgetrokken knietjes zittend op een stoeprand, huilend naast een zak appelen. En dat ze dan aan voorbijgangers verkondigt dat ze trek heeft in een blozende appel, en dat ze daar wel een zak vol van heeft maar geen mes om er een te schillen. En daar is dan ineens de messendrager, die ridderlijk zijn wapen bovenhaalt, de appel schilt, en zij leven nog lang en gelukkig. Het kan, maar volgens mij gaat het hier om uitzonderingen. Een jager trekt ook niet met een tweeloop het bos in omdat hij vreest te worden aangevallen door een agressief konijn.

Je neemt geen mes mee op straat omdat je denkt onderweg onverwacht een zalm te moeten fileren. Je steekt geen geladen pistool op zak omdat het zo gevaarlijk is op straat. Wie gewapend op stap gaat, heeft niets goeds in de zin. Zo’n moeilijke hersenkronkel kan het toch niet zijn om tot deze conclusie te komen?

 

Deze column werd gepubliceerd in De Standaard van zaterdag 10 februari 2007. 

Posted by Geert at 10:08:30 | Permalink | No Comments »

Tuesday, February 6, 2007

Van woensdag naar zaterdag…

‘t Is maar dat u het weet: mijn column in Standaard verschijnt voortaan niet tweewekelijks op woensdag, maar tweewekelijks op zaterdag in de weekendbijlage van de krant.
Posted by Geert at 19:00:41 | Permalink | No Comments »

Stiekem een neger

 (Deze onafgewerkte column zat klaar op mijn computer om in De Standaard te verschijnen op 7 februari 2007. Maar over “de zaak Wouter Van Bellingen” stonden de kranten zo vol dat alles al gezegd leek en ik maakte dan maar een column over iets anders. Om de lezers van De Standaard niet ook nog eens met mijn mening erover op te zadelen. Maar u die mijn blog leest, u vraagt er gewoon om.)

Het was toch wel even schrikken vorige week, toen alle heisa losbarste rond Wouter Van Bellingen. Toen weken geleden in het nieuws kwam dat hij de eerste zwarte schepen van het land zou worden, werd ons dat met rustige stem meegedeeld, bij wijze van statistisch niet oninteressante mededeling. Als het bericht al een emotie opriep, buiten de schutkring van Sint-Niklaas, dan was het vooral verbazing. Dat het nog zo lang geduurd had! Niemand die ook maar vermoedde dat er ooit echt problemen van konden komen. Geen wonder, want in een stad waar Freddy Willockx burgemeester kan worden, daar kunnen uiterlijkheden toch van geen tel zijn? 

En dan ineens stond het in de krant: er zijn bij ons mensen die alleen maar willen worden getrouwd door schepenen die zo blank zijn als de trouwers zelf. Je eerste reactie is dan toch: te hopen dat dit de buitenlandse pers niet haalt. Je zal het maar weer moeten uitleggen dat het om een minderheid gaat, dat de meeste Belgen wel hebben leren om te lopen zonder dat hun vuisten over de grond slepen en nog best meevallen, gemiddeld.  

Een tweede reactie is onvermijdelijk dat je je probeert voor te stellen wat voor mensen het zijn die dergelijke bezwaren durven te formuleren. In welke cultuur zijn zij grootgebracht? Niet in de onze, denken we dan, want wij kennen zo toch niemand. We zijn er zelfs redelijk zeker van dat we niemand kennen die zo iemand kent. Zijn het jonge mensen die thuis niet naar Thriller van Michael Jackson mochten luisteren omdat die toen nog zwart was? Zijn dat jongens en meisjes die thuisarrest kregen omdat ze naar een film met Will Smith hadden gekeken? Vonden die Arnold uit Diff’rent Strokes gewoon eng in plaats van al te cute? Zeggen die ouders daar niets van. Of wacht, het zal aan die ouders liggen, natuurlijk.

Hoe meer ik er over nadenk, hoe meer ik geloof dat het om mensen gaat die geestelijk mishandeld zijn. Je leest wel eens iets over twintigers of dertigers die door de politie worden bevrijd, nadat hun verontruste ouders ze tien, twintig jaar lang in een hok hadden opgesloten. Bleke mensen die niet door donkere schepenen willen worden getrouwd, dat lijkt mij de geestelijke variant van zo’n hok. Ze weten wel dat zwarte mensen bestaan, maar al hun informatie daarover komt uit oude Kuifjes en de eerste verhalen van Nero en Suske en Wiske. Zo’n zwarte, die heet Mbolo of Jomo, spreekt blanken aan met bwana of zoiets en heeft zeer dikke lippen. Hij lacht luid en kent al onze woorden en geen van onze grammaticaregels. Dat is leuk, dat is herkenbaar. Zo’n zwarte kan een toffe zijn. Wat zo’n zwarte nu niet moet gaan doen, want daar worden dergelijke mensen erg zenuwachtig van, dat is door het leven gaan als Wouter Van Bellingen, van de Van Bellingensen uit Sint-Niklaas, trouwen met een Katrijn en zijn kinderen Capser en Zita noemen. Dat is met onze voeten spelen! Zo’n zwarte die stiekem een neger is! Ik denk dat zulke reflexen meespelen. Geen kwaad woord over beeldverhalen, maar een wereldbeeld dat alleen op door je ouders stukgelezen strips steunt, wankelt nu eenmaal gemakkelijk…

  

Posted by Geert at 18:56:19 | Permalink | No Comments »