Van de prins geen praat
Niet dat ik zo dik ben met prins Laurent, maar u mag het gerust weten: ik mag prins tegen hem zeggen. Ik kwam vroeger helemaal niet zo vaak in aanraking met royalty, maar de tijden zijn veranderd. Deze week kwamen de prins en ik er namelijk achter dat wij de enige twee Belgen waren die nog niet door de koning waren ondervraagd over onze visie op de regeringsvorming. Prins Laurent had het eerst niet in de gaten. Het overkomt hem wel vaker dat de koning eens een paar dagen niet van zich laat horen. Maar ik maakte me toch grote zorgen. Ik begon tunnels te vermijden en andere locaties waar het bereik van mijn gsm soms te wensen overlaat. Mijn notities lagen dubbelgevouwen op mijn schoot, met de beschreven kant naar binnen. Op den duur hield ik mij al van ’s ochtends op in de buurt van het paleis, want in zeven haasten naar Brussel vlammen, dat is nooit een goed idee. Onderweg naar de koning een verkeersboete bijeen snellen, dat getuigt van weinig stijl.
Zo vonden prins Laurent en ik elkaar dinsdag in een bruine kroeg waar we zo nonchalant mogelijk om de vijf minuten onze voicemail checkten. Johnny Logan had twee berichtjes ingesproken; maar daar ging de prins niet op in. Verder had niemand de prins gebeld.
Daar zaten we dan. De enige twee Belgen die nog niet door de koning waren gehoord. Laurent bestelde een dubbele trappist - een Westmalle en een Chimay, om niemand voor het hoofd te stoten - en zuchtte diep. Hij vroeg zich af waaraan het kon liggen. Was het omdat hij afstamde van een migrantenfamilie? Neen, dat kon het niet zijn, want die Di Rupo was wel geraadpleegd. Wat zou hij dan aan zijn vader hebben gemeld, vroeg ik hem. De prins haalde zijn schouders op.
‘Het is niet gemakkelijk, zou die Spieskens van jullie zeggen’, mompelde hij.
‘Het is Spiessens’, zei ik, ‘en hij zegt altijd dat het niet moei-lijk is.’
‘Dat gedoe over het splitsen van Brussel-Halle-Vilvoorde. Zo moeilijk kan dat nu toch niet zijn?’ vroeg de prins zich hardop af. Hij herinnerde zich plots een taalbad Nederlands en riep: ‘Onnozelaars! Brussel tussen de s en de s, Halle tussen de l en de l, en Vilvoorde tussen de l en de v! Voilà, gesplitst.’
‘Vilvoorde ook tussen de r en de d’, probeerde ik, maar hij luisterde niet echt.
De prins was geïrriteerd en ik aarzelde dan ook enkele minuten, nippend van mijn koffie, waarbij ik voor alle zekerheid een Gentse mok en een Luikse wafel had besteld. Maar mijn nieuwsgierigheid was sterker dan mezelf. Dus schraapte ik mijn keel en ik vroeg: ‘Prins, ik hoop dat ik u hiermee niet schoffeer, maar waarom draagt u vanavond eigenlijk een witte badjas?’
Prins Laurent keek mij aan met een blik alsof ik net uit het verkeersreglement had geciteerd. ‘Wat is dat nu voor een vraag! Het is toch zeker niet omdat we hier in een bruin café zitten dat ik een bruine badjas aan moet?’
Daarvan had ik niet meteen terug. ‘Het is maar’, waagde ik, ‘dat u toch de enige bent in een badjas hier. Goed, die kerel daar in de hoek met dat groene badlaken om zijn middel moet ongeveer hetzelfde hebben gedacht, maar die is volgens mij niet van hier.’
De prins keek me aan met een blik alsof ik een hond in brand had gestoken.
‘Kijk, jullie onderdanen denken allemaal dat het zo simpel is. Maar als ik mijn uniform aantrek, is het verkeerd. Laat ik mijn uniform thuis, dan is het ook verkeerd. Soms weet ik het echt niet meer, hoor. Trouwens, Claire zat al bijna een uur in de badkamer en ik word heel nerveus als ik lang moet wachten.’
Dat deed ons er weer aan denken en we checkten onze gsm’s. Geen bericht. ‘Het wordt toch stilaan tijd. Mijn broer is wel al gehoord. En denk je dan echt dat hij veel meer originele ideeën heeft over de staatshervorming dan ik? Komaan! Hij zou er nog niet in slagen om Erpe-Mere te splitsen. Maar mij eens bellen, ho maar.’
De bruine kroeg moest de deuren sluiten. Niet dat het zo laat werd, maar er was een probleem met een bouwvergunning. Nog voor we onze glazen en kopje hadden geleegd, blafte de gsm van de prins. Een sms! Hij scrolde door het bericht heen en keek mij doordringend aan.
‘Het is Claire’, zei de Prins. ‘De badkamer is vrij. Maar of ik eerst nog eens langs wil rijden bij ons moeder want de badparels zijn op.’