Friday, September 21, 2007

Twee flikken, twee fietsen

Ik deed de deur open en voor mijn neus stonden twee Gentse flikken. Wie niet in Gent woont, ziet zoiets alleen op zondagavond op Eén, maar een Gentenaar kan op gelijk welk moment met the real thing worden geconfronteerd.

 

Laat ik maar meteen met het voornaamste beginnen: keurige, vriendelijke en sympathieke agenten. Niks mis mee, niets op aan te merken. Maar een onverwachte confrontatie met de politie blijft voor mij altijd een kleine beproeving. Hoe dat komt? Ik weet het niet. Ik ben redelijk gezagsgetrouw en pleeg haast nooit misdrijven. Ja, zelfs het verkeersreglement treed ik zelden met de voeten. Kortom, ik ben onschuldig. Ik heb niets gedaan, meester.

En toch, die deur zwaait open, daar staat al dat blauw, fel blinken die badges en nog voor ik de strepen heb kunnen tellen, breekt het angstzweet mij uit. Ik laat mij soms gemakkelijker meeslepen dan een Lada met een platte batterij. Hooguit een paar seconden scheiden mij van mijn arrestatie. Heb ik niet onbewust een kilogram cocaïne in de kattenbak verstopt? Heb ik in een onbewaakt moment dat leuke schilderij van de buren verdonkeremaand? Zit er geen bloed aan mijn vingers of op mijn kleren? Waarom heb ik trouwens ooit zo’n groot vleesmes gekocht? Daarvan kun je nooit zeggen dat het per ongeluk afging bij het poetsen! Ik kan me er op zulke momenten nog net van weerhouden om mijn polsen aan te reiken voor de handboeien, maar gelukkig val ik snel op mijn poten. Op mijn eigen manier deug ik namelijk nogal.

Maar goed, u wilt natuurlijk weten wat die twee flikken kwamen doen en dat komt goed uit want ik ging het net vertellen. Of ik een fiets had, wilden ze weten. Die had ik, maar ik dacht voor alle zekerheid toch even na of je daarvoor een vergunning moest hebben vooraleer ik trefzeker met ‘ja’ antwoordde. En of ik die vandaag nog op zijn plaats had zien staan? Dat had ik inderdaad. Dat wilden ze weten omdat ze net twee fietsendieven hadden betrapt die elk met een fiets aan de haal waren gegaan. Er zat overigens nog een groot kettingslot stevig rond de voorwielen. Hoe steel je zo’n fiets dan in ’s hemelsnaam, vroeg ik me hardop af. De langste agent deed het me voor en hield zijn rechterarm naar binnen gebogen over zijn schouder, alsof hij daar een gratis vat in evenwicht hield. ‘Ze liepen er zo mee op straat, het frame over hun schouder. De voorwielen droegen ze apart mee, samen met het droogrek waaraan ze allebei waren vastgemaakt.

Dat is ook waarom we het verdacht vonden’, verklaarde de kleinste. ‘Normaal zitten de twee wielen vast aan de fiets’, verduidelijkte de grote, ‘en als je al lang in het vak zit, let je op die dingen.’

Omdat er vermoedens waren dat de fietsen in ons appartementsgebouw uit de parkeergarage waren gejat, wilden de agenten weten of ik iemand kende in het gebouw die met een dure rode mountainbike reed. De omschrijving van de fiets deed bij mij niet meteen een belletje rinkelen, en ook de tweede gestolen fiets leek me niet van een bekende. De agenten knikten beleefd maar ik zag ook wel dat ik ze geen fluit vooruit had geholpen. De lange zuchtte: ‘Tja. Dan gaan we hier nog maar eens op enkele andere bellen drukken. Misschien dat we zo de eigenaar vinden.’

Terwijl hij op de lift af stapte zei de kleine nog: ‘Het is voor ons niet de gewone manier van werken. Gewoonlijk weten wij wel van wie een fiets is gestolen. En dan weten we niet wie de dief is of waar de fiets is. Nu is het omgekeerd. We hebben een dader en een fiets…’ ‘Maar geen slachtoffer’, zuchtte de lange, ‘het is ook altijd wat.,

Ik schonk ze mijn meest begripvolle blik tot de lift ‘ping’ zei en ik de deur durfde dicht te trekken. Hopelijk zijn de fietsen ondertussen bij hun eigenaars terechtgekomen. We hebben nog wat mooie zomerdagen tegoed.

 

(verschenen in De Standaard op zaterdag 8 september 2007) 

 

Posted by Geert at 08:32:41
Comments

Leave a Reply