U moet mij dezer dagen vooral niet vragen of ik mij goed in mijn vel voel. Het meeste ervan heb ik namelijk vorig weekend achtergelaten op een boardwalk van Coney Island. Nu begrijp ik waarom de minnestrelen ooit zongen van Under the Boardwalk. Daar was tenminste nog een béétje schaduw. Het was een mooie zonnige dag. En Amerikaanse strandstalletjes verkopen geen zonnebrandolie. T-shirts, teenslippers en surfplanken à volonté. Strandlakens met een afbeelding van George Bush of een andere Homer Simpson, zwembroeken met Transformers-opdruk, kies maar uit. Maar ik herhaal: géén zonnebrandolie. Factor noppes. Noteer dat ergens want Trotters en Routiers en Lonely Planets houden dat stil en als uw huid wat weg heeft van de mijne, kunt u het toch maar beter in uw oren knopen. Nu die lellen nog aan uw hoofd vastzitten.
De zon en ik zijn nooit de beste vrienden geweest. Ofwel blijf ik ze zo lang uit de weg dat ik half augustus nog altijd de bleekste Belg ter wereld ben, ofwel verrast ze me ergens en maakt ze me van alles wijs. Dat het eigenlijk best aangenaam voelt, zo’n beetje zonnewarmte op je vel, en dat iedereen er vrolijk van lijkt te worden, en dat het met die huidkankers toch zo’n vaart niet kan lopen als je daar negen maanden per jaar niks over leest, en dat als ik af en toe wat in de lommer wegduik, ik ’s anderendaags wellicht zoals iedereen zal opstaan met een gezellig zomers bruin kleurtje. En telkens heeft ze mij goed liggen. Niet altijd zo goed als deze keer, evenwel.
Op de terugweg naar het hotel zag ik het al aan de blikken van de andere metroreizigers. Ik voelde ook wel dat ik een rode kop kreeg. Maar toen kon ik nog denken: zolang ik doe of ik het niet merk, is er niets aan de hand. De volgende ochtend was er geen ontkomen meer aan. Ik zag er uit als iets dat ze pas durven te tonen in de slotscène van een van de griezeligste afleveringen van The X-Files. Ik durfde niet lang in de spiegel te kijken uit schrik dat die ook zou beginnen afbladderen. Vandaag zie ik er gelukkig al iets minder schubbig uit dan enkele dagen geleden, maar om u een idee te geven van hoe ik er heb uitgezien kunt u het volgende doen. Scheur deze pagina uit de krant. Maak er een propje van. Kaats het enkele keren flink hard tegen de muur. Gooi het op de grond en oefen er enkele danspassen uit het oeuvre van Michael Flatley op. Rij er vervolgens een paar keer over met een bestelwagen. Ontrol het propje nu en bekijk de foto die boven deze column staat. En denk: rood. Wel, ver zult u er niet af zijn. Ik wed dat er momenten zijn geweest dat je een sigaret kon aansteken met mijn neus.
De gevolgen laten zich raden. “Met vakantie geweest?”, vragen vrienden die amper hun grijns kunnen verbergen. Of de klassieker: “Was ’t daar beter weer dan hier?” Tegenliggers werpen mij verschrikte blikken toe vanuit hun auto’s, kassa’s worden spontaan afgesloten als ik met mijn karretje in zicht kom, en de buren steken overhaast een petitie in gang. Ach mensen, zo erg is het allemaal niet. Morgen zie ik er vast al veel beter uit. En dan is mijn vel nieuw. Voila.
Er is nog een reden waarom ik vaak in onmin leef met de zon en dikke kans dat die reden op uw neus zit. Ik heb namelijk een hekel aan zonnebrillen. Ik geloof niet dat mensen die dragen om hun ogen te beschermen tegen de zon. O, ik geloof het nog wel een beetje als ik bezonnebrilde stappers tegenkom buiten. Als de zon schijnt. Maar je ziet ze dan even later met die zonnebril in een museum rondlopen, of aan de een of andere balie zitten. Zelfs in de metro zie je een overvloed aan zonnebrillen. En die lui kunnen toch niet allemaal van Stevie Wonder geslagen zijn.
Ik word ook erg prikkelbaar als mensen mij aanspreken met zo’n zonnescherm op. Ogen zijn belangrijk. Ze zijn altijd het eerste wat je bij iemand ziet. Of ze de spiegel van de ziel zijn, weet ik niet, maar ze vertellen je wel veel over wie er mee kijkt. Soms merk je of iemand liegt of de waarheid spreekt, of iemand je tof vindt of doet alsof, of iemand verveeld is of geboeid, kortom, onze ogen geven veel bloot. Misschien daarom dat velen ervan profiteren om van bij de eerste schuchtere zonnestralen zo’n ding op te zetten, en die bril blijft staan tot de zomer voorbij is. Om zo lang mogelijk hun blik voor zichzelf te houden. Pas op, het kan zijn dat ik overdrijf. Maar ik denk altijd: die mensen voelen zich niet goed in hun vel.
Verschenen in de zaterdagkrant van De Standaard op 30 juni 2007.