Wednesday, March 28, 2007

Scouting for boys

U las het vast ook: het gaat heden niet goed met de scouts. Tenminste, het gaat wél goed met de scouts, want ongeveer iedereen wil er zijn kroost ten dele of als geheel bij laten inlijven. Maar het gaat ook best slecht, want er zijn te weinig leiders voorhanden per strekkende meter welpen. Dus komen veel kinderen op een wachtlijst terecht in plaats van bij de scouts. Op een wachtlijst is het misschien wel veel toffer en gezelliger dan bij de scouts. Nu is het met scouts wel een beetje als destijds Zuid-Afrika: je moet er geweest zijn eer je er over mag praten. Dat treft, want ik heb een verleden bij de scouts. Een toekomst heb ik er nooit gehad, dat is weer iets anders, maar ik heb toch ongeveer een jaar lang de meeste zondagen doorgebracht met een korte ribfluwelen broek aan en een veel te klein petje op mijn hoofd. Twee vormen van klederdracht waaraan ik mij steeds met veel tegenzin liet onderwerpen.

 

 

Het scoutsbestaan was, om het voorzichtig uit te drukken, niet aan mij besteed. Ik was niet van het ravottende type. Ik had niets met uniformen, en zeker niet met uniformen voor kinderen. Ik verlangde zelden naar uitstapjes in de weidse natuur en nooit naar de straatstenen die op zoveel andere kinderen een grote indruk nalieten. Ik was meer het type dat met een boekje in een hoekje kroop. Ik had per slot van rekening niet leren lezen om bijsluiters van hoestsiroop uit te pluizen.

Maar het was het begin van de jaren zeventig en waar mijn gedrag voorheen alleen op een grote leeshonger had gewezen, werd het ineens het onomstootbare bewijs van een asociaal karakter. Als ik niet zou opgroeien voor galg en rad, zou ik er tenminste zware contactstoornissen aan overhouden. Om mijn lieve ouders uit een verschrikkelijk dilemma te verlossen, stond ik dus toe om mij als welpje bij de lokale scoutbeweging te laten inlijven. Ik was nog maar zeven, en dat rebelleren kun je dan maar beter wat uitstellen of als je echt begint te puberen is er al niks meer aan. Bovendien heette de scoutbeweging Joe English en ik dacht dat het tenminste goed zou zijn voor mijn talen.

Rustig met een boek in een hoekje kruipen, dat mocht je bij de scouts wel vergeten. Daarvoor was er veel te veel herrie en bovendien werd je verondersteld die mee te veroorzaken. De ‘wolfkes’, zo waren we gekend. Ik herinner me vooral de oude opslagplaats waar we, gezeten op vierdehands zetels en stoelen, van de leiders te horen kregen waarmee we ons die namiddag weer mee zouden moeten amuseren. Daar kwam nogal veel wandelen bij kijken en vaak regenweer waarvan we kennelijk groot en sterk zouden worden. Niet dat een van ons dat verlangen ooit had uitgedrukt. Waarom het daarbij een bespottelijke gedachte bleek om je blanke benen in een lange broek te steken, tenminste des winters toch, maar we wel onze jonge lokken aan het gezicht moesten onttrekken door middel van een petje dat veel weg had van een keppel, werd ons niet uitgelegd. Er was zelfs een sjaal die op een heel ingewikkelde manier moest worden geknoopt en dat was erg belangrijk.

U hoort het al, ik was niet de meest enthousiaste scout en dat zal wel even veel over mij vertellen dan over de beweging waar mijn medescouts en ik bij zaten. U vraagt zich natuurlijk af waarom ik dan wel bij de scouts bleef. Want al vonden mijn ouders het belangrijk dat ik ging, ik had vast wel een of andere allergie kunnen voorwenden die mij van de ene week op de andere van al mijn scoutuleuze plichten had ontslaan. Maar ik bleef volharden omdat ik verliefd was op de Akela. Opgelet, niet zomaar de eerste de beste Akela. Ik had haar met veel zorg en enige goede smaak uitgekozen, want een paar jaar later zou ze ei zo na Miss Universe worden en op de cover van de Humo staan. En ik wist wel zeker dat een jonge vrouw als zij ooit de glorieuze liefde van een zevenjarige zou weten te appreciëren, want ik mocht al eens opblijven tot Peyton Place en ik wist dus dat alles kon in de liefde. Maar mijn Akela hield zich op de vlakte. Uiteindelijk verzaakte ze aan haar leiderschap en trok ze de wijde wereld in, lang voor ik lang genoeg mocht opblijven om haar in alle ernst van mijn goede bedoelingen te overtuigen. Veel kan het niet hebben gescheeld, want ik was toch al acht toen ze een afscheidsfeestje gaf. Na dat droefgeestig feestje kwam ik thuis en gooide ik mijn petje op tot het aan de hoogste haak van de kapstok bleef hangen. Die waar ik van bij de grond niet bij kon. En ik ben nooit meer naar de welpjes geweest. Nu ik eraan denk: ik geloof ook niet dat ik ooit nog een korte broek heb aangetrokken.

 

Column verschenen in De Standaard op zaterdag 24 maart 2007. 

Posted by Geert at 12:41:44 | Permalink | No Comments »