Thursday, March 29, 2007

Zak

Bij de Fnac kreeg je al een hele tijd geen plastic zak meer. Allemaal goed en wel, ik vind dat een deugdelijk initiatief al heb ik een paar keer inwendig gevloekt toen ik daar binnenwipte en toch iets wilde kopen. Het gat in de ozonlaag mag toch niet integraal op de kap van impulse buyers worden geschoven.

 

Ik begon het gewoon te worden en deze middag ging ik op een drafje naar de Fnac om een boek te kopen, met een plastic zak van Base in mijn broekzak gevouwen. Aan de kassa bleek de Kyoto policy van Fnac ineens gewijzigd. Voor ik kans zag om de Base-zak tevoorschijn te halen, toverde de kassamevrouw een zakje van Fnac in zicht en hup, mijn boek zat er in. Het was een zak met een boodschap en wel deze: “Om het milieu te beschermen, ruilen we deze zak gratis om zodra u vindt dat hij versleten is.” Welnu, Fnac, ik vind dat hij versleten is. Ik was amper aan de tramhalte of de onderkant van de zak ritste in één fikse ruk open en mijn boek lag op de grond. Biologisch afbreekbaar, jawel, en dan nog binnen de vijf minuten na ingebruikname. Er staat ook een waarschuwing op, dat je geen kinderen met de zak laten spelen omwille van verstikkingsgevaar. Maar met mijn zak zullen weinig gezinsdrama’s in gang worden gezet. Enfin, u doet maar.

 

 

Posted by Geert at 13:31:16 | Permalink | Comments (1) »

Wednesday, March 28, 2007

Scouting for boys

U las het vast ook: het gaat heden niet goed met de scouts. Tenminste, het gaat wél goed met de scouts, want ongeveer iedereen wil er zijn kroost ten dele of als geheel bij laten inlijven. Maar het gaat ook best slecht, want er zijn te weinig leiders voorhanden per strekkende meter welpen. Dus komen veel kinderen op een wachtlijst terecht in plaats van bij de scouts. Op een wachtlijst is het misschien wel veel toffer en gezelliger dan bij de scouts. Nu is het met scouts wel een beetje als destijds Zuid-Afrika: je moet er geweest zijn eer je er over mag praten. Dat treft, want ik heb een verleden bij de scouts. Een toekomst heb ik er nooit gehad, dat is weer iets anders, maar ik heb toch ongeveer een jaar lang de meeste zondagen doorgebracht met een korte ribfluwelen broek aan en een veel te klein petje op mijn hoofd. Twee vormen van klederdracht waaraan ik mij steeds met veel tegenzin liet onderwerpen.

 

 

Het scoutsbestaan was, om het voorzichtig uit te drukken, niet aan mij besteed. Ik was niet van het ravottende type. Ik had niets met uniformen, en zeker niet met uniformen voor kinderen. Ik verlangde zelden naar uitstapjes in de weidse natuur en nooit naar de straatstenen die op zoveel andere kinderen een grote indruk nalieten. Ik was meer het type dat met een boekje in een hoekje kroop. Ik had per slot van rekening niet leren lezen om bijsluiters van hoestsiroop uit te pluizen.

Maar het was het begin van de jaren zeventig en waar mijn gedrag voorheen alleen op een grote leeshonger had gewezen, werd het ineens het onomstootbare bewijs van een asociaal karakter. Als ik niet zou opgroeien voor galg en rad, zou ik er tenminste zware contactstoornissen aan overhouden. Om mijn lieve ouders uit een verschrikkelijk dilemma te verlossen, stond ik dus toe om mij als welpje bij de lokale scoutbeweging te laten inlijven. Ik was nog maar zeven, en dat rebelleren kun je dan maar beter wat uitstellen of als je echt begint te puberen is er al niks meer aan. Bovendien heette de scoutbeweging Joe English en ik dacht dat het tenminste goed zou zijn voor mijn talen.

Rustig met een boek in een hoekje kruipen, dat mocht je bij de scouts wel vergeten. Daarvoor was er veel te veel herrie en bovendien werd je verondersteld die mee te veroorzaken. De ‘wolfkes’, zo waren we gekend. Ik herinner me vooral de oude opslagplaats waar we, gezeten op vierdehands zetels en stoelen, van de leiders te horen kregen waarmee we ons die namiddag weer mee zouden moeten amuseren. Daar kwam nogal veel wandelen bij kijken en vaak regenweer waarvan we kennelijk groot en sterk zouden worden. Niet dat een van ons dat verlangen ooit had uitgedrukt. Waarom het daarbij een bespottelijke gedachte bleek om je blanke benen in een lange broek te steken, tenminste des winters toch, maar we wel onze jonge lokken aan het gezicht moesten onttrekken door middel van een petje dat veel weg had van een keppel, werd ons niet uitgelegd. Er was zelfs een sjaal die op een heel ingewikkelde manier moest worden geknoopt en dat was erg belangrijk.

U hoort het al, ik was niet de meest enthousiaste scout en dat zal wel even veel over mij vertellen dan over de beweging waar mijn medescouts en ik bij zaten. U vraagt zich natuurlijk af waarom ik dan wel bij de scouts bleef. Want al vonden mijn ouders het belangrijk dat ik ging, ik had vast wel een of andere allergie kunnen voorwenden die mij van de ene week op de andere van al mijn scoutuleuze plichten had ontslaan. Maar ik bleef volharden omdat ik verliefd was op de Akela. Opgelet, niet zomaar de eerste de beste Akela. Ik had haar met veel zorg en enige goede smaak uitgekozen, want een paar jaar later zou ze ei zo na Miss Universe worden en op de cover van de Humo staan. En ik wist wel zeker dat een jonge vrouw als zij ooit de glorieuze liefde van een zevenjarige zou weten te appreciëren, want ik mocht al eens opblijven tot Peyton Place en ik wist dus dat alles kon in de liefde. Maar mijn Akela hield zich op de vlakte. Uiteindelijk verzaakte ze aan haar leiderschap en trok ze de wijde wereld in, lang voor ik lang genoeg mocht opblijven om haar in alle ernst van mijn goede bedoelingen te overtuigen. Veel kan het niet hebben gescheeld, want ik was toch al acht toen ze een afscheidsfeestje gaf. Na dat droefgeestig feestje kwam ik thuis en gooide ik mijn petje op tot het aan de hoogste haak van de kapstok bleef hangen. Die waar ik van bij de grond niet bij kon. En ik ben nooit meer naar de welpjes geweest. Nu ik eraan denk: ik geloof ook niet dat ik ooit nog een korte broek heb aangetrokken.

 

Column verschenen in De Standaard op zaterdag 24 maart 2007. 

Posted by Geert at 12:41:44 | Permalink | No Comments »

Friday, March 16, 2007

Fuzz

Ik heb me al een tijdje niet meer gemoeid maar probeer alsjeblieft eens de cartoons te pakken te krijgen van Darby Conley - “Get Fuzzy”. Het is de snelst groeiende humorstrip in de Verenigde Staten en alles draait rond  de wat ‘dopey’ reclamejongen Rob ert Wilco, zijn maffe en veel te brave hond Satchel en Bucky, een Siamese kat met een rotkarakter.  Hilarisch!

ook (een beetje) te zien op www.comics.com/comics/getfuzzy

 

Posted by Geert at 16:00:05 | Permalink | No Comments »

I’m free!!!

Ik herinner mij heel goed hoe Are You Being Served? bij ons thuis verplichte kost was. Niet dat ik dat erg vond, ik vond het zelfs bijzonder geestig. Tien jaar was ik toen, geloof ik, of negen, daar wil ik afwezen, en achteraf bekeken denk ik soms dat elk gezinslid om iets anders zat te lachen. De helft van de humor kan ik meer dan dertig jaar geleden niet begrepen hebben. Ik weet wel zeker dat ik toen nooit helemaal mee zal zijn geweest als mevrouw Slocombe de zoveelste dubbelzinnige grap maakte over haar pussy. Dat er naast haar geliefde huisdier een andere poes was die haar uitlating een vetrandje gaf, zo ver reikte mijn culturele bagage nog niet. Werkvloerklachten als “Mister Lucas shouldn’t ask us to take down our knickers!” waren wellicht niet ten volle aan mij besteed. En waarom die meneer Humphries zo nodig dat rare loopje moest, dat had ook niemand me uitgelegd, net zo min als wat er zo grappig aan was dat hij nog bij zijn moeder woonde. Ik denk eerlijk gezegd dat ik het, zoals al mijn klasgenootjes, te druk had met verliefd te zijn op Miss Brahms.

Het mag eigenaardig lijken in een wereld waarin humor blijkt te zijn verdeeld in ‘voor Monty Python’ en ‘na Monty Python’ maar ik kan me nog altijd amuseren met een half uurtje Are You Being Served? En deze keer versta ik het meeste wel, dank u voor uw bekommernis. Niet dat het allemaal zo fantastisch is. Integendeel. De serie was zo populair dat niemand ermee durfde te stoppen toen de laatste grap al lang was opgedroogd en de laatste reeksen zijn vervelend en niet veel meer dan een aaneenschakeling van genante verkleedpartijen. De bioscoopfilm die naar de serie werd gemaakt is ronduit slecht. Maar op zijn beste momenten zijn de lotgevallen van het personeel van het Grace Brothers warenhuis natuurlijk hilarisch.

En nu is John Inman, Mister Humphries, dus dood. “A glass of water for Mister Grainger!” dacht ik toen ik het hoorde. Van Are You Being Served? is maar één keer een remake gedraaid, in de jaren tachtig in Australië, en al wilden ze daar alleen Australische acteurs, toch moest Inman opdraven om weer in zijn oude glansrol te stappen. In Amerika werd de serie pas in de jaren tachtig en negentig razend populair, net als de shows van Benny Hill, en op de vele “conventions” was Inman altijd een van de meest gevraagde gasten. Dat zegt toch iets, al zou ik niet meteen weten wat.

Vandaag doet het verwijfde homotypetje van Mister Humphries behoorlijk oubollig aan en zelfs een beetje fout, maar toen Inman er 35 jaar geleden mee uitpakte, zag de Britse televisiehumor er heel erg anders uit dan nu. Monty Python’s Flying Circus was al uitgezonden maar Monty Python was toen voor de meeste mensen nog gewoon een stel rare kwieten en bepaald nog niet invloedrijk te noemen. Satire was in de jaren zestig even opgedoken maar in het begin van de jaren zeventig maalde niemand daar nog om. Humor was slapstick of situatiehumor, dubbelzinnigheid was het hoogste goed en acteurs voor sitcoms kwamen niet zelden uit de wereld van het variété en de vaudeville, zoals John Inman.

Mister Humphries was een clichénicht, al werd zijn seksuele geaardheid nooit bij naam genoemd, maar Miss Brahms was een clichéblondje, Mister Lucas was een clichéplayboy en Captain Peacock was een karikatuur van de gepensioneerde militair die ergens een gemakkelijke job heeft binnengehaald waarbij streng kijken de enige echte vereiste is.

De homobeweging reageerde destijds verdeeld op Mister Humphries, zeker nadat Inman zich als homoseksueel had geout. Soms stonden er betogers bij de theaterzalen waar Inman optrad, dan weer werd hij geprezen. Per slot van rekening moet het personage voor ontelbaar veel kijker de eerste televisiehomo zijn geweest, en hoe verwijfd en karikaturaal ook, hij kwam schrander en sympathiek over en niemand van zijn collega’s leek in samenwerken met een homo een gat te zien. Oeps.

Niet dat John Inman verwachtte dat hij aan de rol begon waarin iedereen zich hem zou herinneren, toen hij in 1972 werd gevraagd voor de pilootaflevering van Are You Being Served? Minstens drie andere acteurs waren al gepolst voor zijn naam opkwam, de piloot stak in een reeks van zes waaruit maar één serie echt zou worden ontwikkeld en hij deed alleen maar mee omdat de week van de opname het gat zou dichten tussen twee blijspelen op de planken. “Mister Humphries kwam amper voor in die piloot, dus een artistieke uitdaging kon je het niet noemen. Ik had wel eens in een winkel gewerkt, ik zag er graag keurig in het pak uit en ik kon een hemd vouwen. Dus dacht ik wel dat ik de rol aankon.”

(verschenen in De Standaard van zaterdag 10 maart 2007)

Posted by Geert at 15:53:19 | Permalink | No Comments »

Zat maar proper

Het was al aardig donker. Er was amper verkeer. Ik reed er dan ook alleen maar langs omdat ik enkele minuten eerder een stuk of wat verkeerde straten was ingeslagen en de frequentie van de lantaarnpalen bocht na bocht had zien afnemen. Nederlandse polderbaantjes kunnen eenzaam zijn. En weinig verlicht dus. Zodat ik de figuur aan de rechterkant van de weg bijna had gemist. Eerst en vooral letterlijk, en gelukkig maar, maar ei zo na was ik het obstakel voorbij gereden zonder erg. Ik ging op de rem staan omdat de onverwachte hindernis bij nader inzien de vorm had gekregen van een fiets en zijn berijder, weliswaar op korte afstand van elkaar in de berm.

Gedreven door mijn goede inborst en bekommernis om de medemens, alsook aangemoedigd door het bestaan van televisieprogramma’s die met behulp van verborgen camera’s allerlei calamiteiten van chauffeurs filmen om op verloren vrijdagavonden publiek te maken, zette ik de wagen aan de kant om de fietser hulp te bieden. Wat er ook was gebeurd, van een doordeweeks ongeval kon geen sprake zijn. De weggebruiker was een zeventiger. Hij lag in een wel heel aparte houding op zijn rug. Roerloos hield hij zijn bovenarmen gestrekt en zijn benen stak hij gebogen omhoog, alsof hij een denkbeeldige fiets bereed in de lucht. Zijn minder denkbeeldige fiets lag een meter voor hem uit. Ik hurkte naast de man en zag tot mijn geruststelling dat zijn ogen geopend waren en bewogen. Omdat ik voor dergelijke situaties niet ben opgeleid probeerde ik het ijs te breken met een vraag, die achteraf gezien zeker niet bij mijn meest gedenkwaardige kan worden geklasseerd.

“Bent u gevallen?” vroeg ik. De man forceerde een grijns die verbluffend snel omsloeg in een minzame glimlach, terwijl hij mij met een beschaamde blik aankeek. “Vooreerst…” begon hij langzaam, “moet ik mij bij u verontschuldigen.” Beleefd. “Het was allerminst mijn bedoeling om u last te bezorgen. Ik wilde alleen even rusten aan de kant.” Een dranklucht vergezelde ’s mans woorden. Dronken maar welbespraakt, zat maar proper. Drankorgels die nog enige stijl weten te bewaren op hun rug in een Hollandse berm kunnen op mijn hulp rekenen.

“Woont u hier ver vandaan,” polste ik. Weer die vriendelijke blik. “Ik ben, geloof ik, een beetje moe. En ik heb wat honger. Is hier in de buurt geen restaurant?” ging de man verder. Zijn stem werd woord na woord sterker en meer helder, maar converseren met iemand die zijn armen en benen in een ongemakkelijke houding boven zich uitgestrekt houdt, doet mij iets te veel denken aan een van de mindere momenten uit Jambers.

“Heeft u pijn? Zou u kunnen rechtstaan?” vroeg ik. Ik voelde even aan zijn armen of er toch nog geen rigor mortis was ingetreden waarover de man niet was geïnformeerd. Hij liet zijn ledematen rustig zakken en steunde op zijn ellebogen. Ik weet uit de boekjes dat je verkeersslachtoffers hoort te laten liggen maar de man stond heel vlot recht. Hem meteen terug neerslaan leek mij toch onbeleefd. “Ja, ik zou wel iets willen eten. Het lijkt mij dat ik dan veel beter in staat zal zijn om thuis te komen. Ik weet wel zeker dat hier een restaurant was. Ergens…” dacht de man hardop.

Ik keek naar het einde van de straat, waar een grote hoeve inderdaad pronkte met restaurantallures. “Dat moet daar dan zijn,” zei ik en ik wees. Ik kon de naam niet lezen maar de neonvlechten en de geparkeerde auto’s wezen toch eerder op een eetgelegenheid dan op een boerderij.

Ik bood de man een lift aan maar die sloeg hij af, omdat hij meende dat de open lucht hem meer deugd zou doen dan een autoritje. Hij nam zijn fiets en wilde er al een been over slaan, maar hij liet zich gelukkig snel overtuigen dat hij toch beter met zijn rijwiel aan de hand naar het restaurant kon stappen. “Het is een restaurant met een goede naam. Hier zal men mij zeker en vast iets ter versterking kunnen voorstellen,” mompelde hij, terwijl hij met verbazend flinke tred in de richting van de redding stapte.

Meer kon ik niet doen. Ik startte de wagen, reed wuivend de oude man voorbij en even later ook het restaurant. Het droeg het woord ‘chateau’ in de naam. De geparkeerde wagens bleken van dichtbij gezien de duurdere modellen van Mercedes en BMW te zijn, een Porsche, een Jaguar en een Bentley. Ik vroeg me af of de bejaarde man daar welkom zou zijn. Alleen, in zijn groezelige trainingspak, met zijn fietsspelden, de fiets aan de hand. Maar natuurlijk was hij beleefd en hij klonk best voornaam. Het kwam vast wel goed met hem.

 

(verschenen in De Standaard van zaterdag 24 februari 2007) 

Posted by Geert at 15:50:56 | Permalink | No Comments »