Gedreven door mijn goede inborst en bekommernis om de medemens, alsook aangemoedigd door het bestaan van televisieprogramma’s die met behulp van verborgen camera’s allerlei calamiteiten van chauffeurs filmen om op verloren vrijdagavonden publiek te maken, zette ik de wagen aan de kant om de fietser hulp te bieden. Wat er ook was gebeurd, van een doordeweeks ongeval kon geen sprake zijn. De weggebruiker was een zeventiger. Hij lag in een wel heel aparte houding op zijn rug. Roerloos hield hij zijn bovenarmen gestrekt en zijn benen stak hij gebogen omhoog, alsof hij een denkbeeldige fiets bereed in de lucht. Zijn minder denkbeeldige fiets lag een meter voor hem uit. Ik hurkte naast de man en zag tot mijn geruststelling dat zijn ogen geopend waren en bewogen. Omdat ik voor dergelijke situaties niet ben opgeleid probeerde ik het ijs te breken met een vraag, die achteraf gezien zeker niet bij mijn meest gedenkwaardige kan worden geklasseerd.
“Bent u gevallen?” vroeg ik. De man forceerde een grijns die verbluffend snel omsloeg in een minzame glimlach, terwijl hij mij met een beschaamde blik aankeek. “Vooreerst…” begon hij langzaam, “moet ik mij bij u verontschuldigen.” Beleefd. “Het was allerminst mijn bedoeling om u last te bezorgen. Ik wilde alleen even rusten aan de kant.” Een dranklucht vergezelde ’s mans woorden. Dronken maar welbespraakt, zat maar proper. Drankorgels die nog enige stijl weten te bewaren op hun rug in een Hollandse berm kunnen op mijn hulp rekenen.
“Woont u hier ver vandaan,” polste ik. Weer die vriendelijke blik. “Ik ben, geloof ik, een beetje moe. En ik heb wat honger. Is hier in de buurt geen restaurant?” ging de man verder. Zijn stem werd woord na woord sterker en meer helder, maar converseren met iemand die zijn armen en benen in een ongemakkelijke houding boven zich uitgestrekt houdt, doet mij iets te veel denken aan een van de mindere momenten uit Jambers.
“Heeft u pijn? Zou u kunnen rechtstaan?” vroeg ik. Ik voelde even aan zijn armen of er toch nog geen rigor mortis was ingetreden waarover de man niet was geïnformeerd. Hij liet zijn ledematen rustig zakken en steunde op zijn ellebogen. Ik weet uit de boekjes dat je verkeersslachtoffers hoort te laten liggen maar de man stond heel vlot recht. Hem meteen terug neerslaan leek mij toch onbeleefd. “Ja, ik zou wel iets willen eten. Het lijkt mij dat ik dan veel beter in staat zal zijn om thuis te komen. Ik weet wel zeker dat hier een restaurant was. Ergens…” dacht de man hardop.
Ik keek naar het einde van de straat, waar een grote hoeve inderdaad pronkte met restaurantallures. “Dat moet daar dan zijn,” zei ik en ik wees. Ik kon de naam niet lezen maar de neonvlechten en de geparkeerde auto’s wezen toch eerder op een eetgelegenheid dan op een boerderij.
Ik bood de man een lift aan maar die sloeg hij af, omdat hij meende dat de open lucht hem meer deugd zou doen dan een autoritje. Hij nam zijn fiets en wilde er al een been over slaan, maar hij liet zich gelukkig snel overtuigen dat hij toch beter met zijn rijwiel aan de hand naar het restaurant kon stappen. “Het is een restaurant met een goede naam. Hier zal men mij zeker en vast iets ter versterking kunnen voorstellen,” mompelde hij, terwijl hij met verbazend flinke tred in de richting van de redding stapte.
Meer kon ik niet doen. Ik startte de wagen, reed wuivend de oude man voorbij en even later ook het restaurant. Het droeg het woord ‘chateau’ in de naam. De geparkeerde wagens bleken van dichtbij gezien de duurdere modellen van Mercedes en BMW te zijn, een Porsche, een Jaguar en een Bentley. Ik vroeg me af of de bejaarde man daar welkom zou zijn. Alleen, in zijn groezelige trainingspak, met zijn fietsspelden, de fiets aan de hand. Maar natuurlijk was hij beleefd en hij klonk best voornaam. Het kwam vast wel goed met hem.
(verschenen in De Standaard van zaterdag 24 februari 2007)