Friday, October 13, 2006

Tante

Elke week maak ik mijn oude tante een paar tellen lang dolgelukkig. Als ik haar kamer binnenkom, schrikt ze op in haar grote fauteuil, ze kijkt me met een blik vol ongeloof aan en haar mond is al open lang voor ze spreekt. ,,Wie we daar hebben”, roept ze dan uit. ,,Dat gij mij hier komt bezoeken, en van zo ver dan nog!” In de wereld waar mijn tante woont, heb ik kennelijk ooit voor een verblijfplaats gekozen die nu vele dagreizen verwijderd is van het zorgcentrum waar zij sinds enkele maanden woont. Geen wonder dat ik telkens word verwelkomd als de verloren zoon, want mijn tante heeft bij elk bezoek weer het gevoel dat ze mij minstens een jaar lang niet heeft gezien.

Tante is precies zo oud als Frank Sinatra, iets waar ze altijd graag de aandacht op vestigde. Tot de dag dat ol’ blue eyes stierf. Sindsdien heeft ze het er niet meer over. Ze is nu negentig en vaak heel erg in de war. Niet dat ze alles vergeet. Ze weet alles nog. Maar het herinneren valt haar zwaarder dan twee of drie jaar geleden. Het is een voortdurend zoeken naar verbanden geworden. De dingen op een rijtje zetten blijkt ineens zowat het moeilijkste dat er is. Ik kon er eerst maar moeilijk aan wennen. Het is vreemd om in de loop van een al bij al kort gesprek te worden aangesproken met de namen van een handvol verschillende volle en aangetrouwde neven, en je te laten meezuigen in een wondere wereld waar doden weer leven, en levenden van naam en leeftijd zijn veranderd. De ene minuut ben ik er, de andere minuut praat ze over mij met mezelf. De keren dat ik bij thuiskomst mezelf al de groeten heb moeten doen, zijn niet meer te tellen.

Soms raak je de juiste snaar en dan vertelt ze honderduit, aangemoedigd door de snelheid waarmee de associaties zich weer aandienen. Over haar kat weet ze niet veel meer te vertellen. Maar haar gezicht klaart op wanneer je over een hond begint. Ze weet best nog dat ze tientallen jaren geleden een hondje had. ,,Een rothond”, verbetert ze meteen. Een foxhond met een fikse portie Britse arrogantie die chargeerde op iedereen die mijn tante of haar zussen ook maar de hand wilde schudden. Een moordwapen met weerbarstig hondenhaar, een onverschrokken gebit op vier poten dat alleen reageerde wanneer een bevel begeleid werd door het geluid van rammelende koeken in een blikken doos. ,,We waren met vier vrouwen thuis”, legt tante uit, ,,vader was net gestorven en we wilden een hond in huis. Maar geen van ons had er een idee van hoe je zo’n dier moest opvoeden. Om de zoveel tijd kwam iemand zijn haar knippen en dan dook hij altijd ergens achter tot we hem met dat koekengerammel konden lokken.”

Die hondenkapper noemde de hond ongegeneerd een ,,miskweekt mormel”. Vreemd genoeg, voor een kennelijk aan de verbeelding van Stephen King ontsproten huisdier, heette het vervaarlijke beest Bibi. ,,Geen gedacht van wie daar toch ooit is op gekomen”, zuchtte tante.

,,Het spijt me dat ik je verjaardag ben vergeten”, zei ze ineens. Haar kaartje was een dag eerder precies op tijd aangekomen. Ze was mijn verjaardag niet vergeten, ze was vergeten dat ze mij een kaartje had gestuurd.

,,Hoe oud ben jij nu?” wilde ze weten. Ik vroeg of ze dat niet kon raden.

,,50?” probeerde ze.

,,Neen”, zei ik, ,,raad nog eens.”

,,51?” klonk het toen. Ik voelde dat het spelletje de verkeerde kant uit ging en haastte me om zelf maar de juiste oplossing aan te reiken. ,,42”, herhaalde ze. ,,42, dan schelen wij uiteindelijk toch niet veel.”

,,Haast niets!” zei ik en ik voegde er wat overmoedig aan toe: ,,we zijn nog samen naar school geweest. Weet je dat niet meer?”

Haar ogen lichtten weer op. ,,Ja, natuurlijk. Dat was plezierig,” zei ze. Honderduit begon ze over haar korte schooltijd te vertellen, tegen die oude klasgenoot die zo onverwacht uit verre contreien op bezoek was gekomen. En ik deed mee. Ik knikte en beaamde dat het een aard had. Vrolijk lachte ik met de anekdotes waarvan mijn tante de pointe voor zichzelf hield omdat ze het te druk had met proesten. Alsof ik erbij was geweest, zo klonken al die vreemde namen die ik voor het eerst hoorde. Lang heeft het niet geduurd, want dan waren de schooljaren weer verstoppertje aan het spelen onder haar grijze krullen en was ik weer de zoon van mijn enige kinderloze neef geworden. Maar het was mooi zolang het duurde. Ik ben zaterdag met mijn tante naar school geweest. In het interbellum nog wel. Er zijn vast saaiere manieren waarop een mens zijn weekend kan doorbrengen.

 

Verschenen als column in De Standaard op woensdag 13 september 2006. 

Posted by Geert at 15:46:08
Comments

Leave a Reply