Wednesday, October 25, 2006

No business like…

U zult er raar van opkijken maar voor deze column liet ik mij gewillig inspireren door een boeiend item dat ik onlangs mocht lezen in de showbusinesskolommen van deze eigenste krant. Neen, ik bedoel helemaal niet dat licht desoriënterende en veelbesproken stukje over Christina Aguilera, die in de coulissen van haar jongste tournee in haar blootje boven een emmer hurkt en daarin plast tot groot jolijt van een bevoorrecht deel van de crew. Neen, dat artikel heb ik helemaal niet gelezen. Ik heb niet eens naar de video gegoogled.

Neen, ik mag hier voor de tweede keer op rij de beeldige actrice Scarlett Johannson opvoeren en wel hierom: ze kruipt dezer dagen in de geluidsstudio met een stuk of wat uitstekende muzikanten om een cd op te nemen. Eén met uitsluitend covers van liedjes van Tom Waits. Dat album wordt pas in de lente van volgend jaar in de winkels verwacht maar ik ben er zo vroeg bij, omdat we er nu misschien nog iets aan kunnen doen. Niet dat de cd niet goed zal zijn. Daar ben ik juist bang voor.

Tom Waits, mocht u hem niet kennen, is voor de Amerikaanse liedcultuur zo’n beetje wat Charles Bukowski betekent voor de literatuur van dat land. Hij schrijft heerlijke liedjes, die we songs mogen noemen omdat er altijd wel een addertje onder het gras schuilt. In de begeleiding pleegt hij allerlei luidruchtige interventies met afgedankte huisraad zodat u toch vooral niet zou denken dat hij gewoon maar een mooi liedje komt zingen, en om u helemaal van die gedachte af te brengen bedient hij zich van een stem die, indien daarmee vergeleken, van Louis Armstrong en Salavatore Adamo prompt geknipte leden maakt van het koor Scala. Er zit iets in de stem van Tom Waits, dat zich moeilijk in muzikale termen laat omschrijven. Maar u kunt het nog het beste vergelijken met wat zich ophoudt in de zwanenhals van een lavabo van een gemiddeld gezin, waar al een paar jaar lang geen druppel ontstopper meer doorheen is gejaagd. Gewoon het hardop noemen van ’s mans naam zet rookdetectoren in werking en aan de geografische spreiding van all night boozers en drankwinkels kon je destijds perfect aanwijzen waar ergens in de States hij woonde.

Ach, de man drinkt nu al jaren niet meer. En tegenwoordig kunnen journalisten die hem interviewden het navertellen in plaats van alleen maar naar hun littekens te wijzen. Hij schijnt zelfs bij zijn zeldzame optredens af en toe een vriendelijke blik in de zaal te gooien. Als hij vroeger iets in de zaal gooide, kon je er donder op zeggen dat het een bierflesje was en dat wie het tegen zijn of haar hoofd aan kreeg, de buil met fierheid zou verzorgen en koesteren tot ze zich vanzelf onder de huid terugtrok.

En zijn songs, die fantastische songs, wel, die gaat Scarlett Johansson nu zingen. Haar stem is van een heel ander allooi. Stel u de voornoemde zwanenhals voor, maar dan van een toonzaalmodel, dagelijks liefdevol ingesmeerd met de duurste oliën en wekelijks gestemd door een team onder leiding van Herr Seele. Als haar liedjes nergens op lijken, is er niets aan de hand. Er zal wat worden gegniffeld in showbusinesskolommen, er wordt plaats gemaakt in de bakken met een J in tweedehandszaken, Scarlett wordt snel gerecupereerd als de voortreffelijke actrice die ze is en Tom Waits blijft zijn goede oude zelf. Hij ontmoet Scarlett Johansson één keer, bij de voorstelling van de cd, en zal zelfs een song aan haar wijden, maar u zal het niet merken omdat ze daarin opduikt als een naamloze waitress met een horrelvoet en een drupneus.

Maar als Scarlett van al die liedjes nu eens uitstekende, hartverwarmende versies maakt. Dat iedereen op straat Come On Up To The House gaat neuriën, dat Downtown Train op een lichte reggaebeat een dijk van een zomerhit wordt.

U denkt toch niet dat Tom Waits dan een kans maakt? Specialisten zullen zijn stembanden onder handen nemen, nadat een gelukkige vinder die voor de beloning aan zijn platenfirma heeft teruggegeven. Zijn volgende cd zal een beetje cleaner moeten klinken, en zijn stem wat meer zoetgevooisd, want als Scarlett Johansson rijk kan worden met de nummers van Tom Waits, dan hij ook. Duizenden cafébazen die nu ergens een pof van Tom Waits aan de muur hebben geprikt als een relikwie, zullen die dan proberen te verzilveren. En u hoopt toch niet dat we dan nog aan een duetten-cd van Tom Waits ontsnappen? Dan denk ik niet eens aan dames als Crystal Gayle en Bette Midler, maar aan een upbeat nummer zij aan zij met Ricky Martin, een vrolijke standard gedeeld door Robbie Williams en Waits, een tegelplakker met Waits en Celine Dion en wat al nog. Maar een duet met Christina Aguilera zit er vast niet in. Want wedden dat Tom Waits dan opdaagt in de studio met een emmer?

 

(verschenen in De Standaard van 25 oktober 2006)

Posted by Geert at 09:18:41 | Permalink | No Comments »

Friday, October 13, 2006

Snoecks

Vandaag, morgen, maandag… vrachtwagens vol Snoecks 2007 en Snoecks
Almanak 2007 rijden rond om alle boekhandels en krantenwinkels van boeken te voorzien. Ik ben er nogal blij mee, met editie 2007. Echt waar! Op www.snoecks.be kun je een voorsmaakje zien, in de winkels the real thing. Voor respectievelijk 12,50 euro en 4,00 euro kun je dat toch moeilijk laten liggen… maar ik wil mij niet moeien.

Vooral blij dat Julia Fullerton-Batten er in staat, nog op de valreep kunnen regelen - echt een tip. Verder: Banksy is geestig, natuurlijk. Diana Scheunemann was een bijzonder innemende vrouw om te interviewen. Albert Watson een fantastische mens, een sympathieke Schot. Je zou hem zo de machinekamer van de Enterprise toevertrouwen. Mis zijn tentoonstelling niet, vanaf januari in het Antwerpse Fotomuseum. Benieuwd wat mensen van die rare foto’s van Minkkinen zullen vinden. En van Fabrica - we tonen gelukkig iets anders dan de media die deze week over de tentoonstelling in Parijs berichten. Dat Mars-artikel… we hadden een ticket voor een Mars-reis moeten proberen te versieren. Moet toch te doen zijn? Mooie prijs voor een lezer/es!

Argentini is wat te gladjes, krijg ik te horen. Coigny wat te klassiek. Hegre wat te kinky. Scheunemann ongehoord natuurlijk. ‘t Blijft toch tot de verbeelding spreken, die ‘charmefotografie’.

Ik heb nog nooit moeten uitleggen waarom er landschappen in Snoecks staan. Of verhalen. Of dierenfoto’s. Of architectuur. Maar waarom er blote vrouwen en mannen in staan, dat vraagt mij elke dag wel iemand.

 

 

 

Posted by Geert at 16:00:45 | Permalink | No Comments »

Spin op de muur

Begin maar alvast te lachen want hier komt het: ik heb last van arachnofobie. Niet dat ik rechtsomkeert maak op de snelweg als er een achtpotige engerd over het fluisterasfalt spurt. Maar als een flink uit de kluiten gewassen spin ineens opduikt in mijn gezichtsveld is het net alsof iemand met ijsstaafjes xylofoon speelt op mijn ruggengraat.

Spinnen zijn namelijk flauwe grapjassen. Ze kennen maar één trucje en dat voeren ze dan ook te pas en te onpas op: ze doen zich voor als een vlek of een barstje in een wand of plafond, ze lokken je blik en hup, daar zijn ineens die acht poten en dat enge lijf. De lafste exemplaren laten op dat moment hun haar nog groeien.

Ik heb het al lang afgeleerd om me over die spinnenschrik te schamen. Discussies met goedmenende zielen die me proberen uit te leggen dat die beestjes nog veel banger zijn van mij dan ik van hen, ga ik verstandig uit de weg. Hoeveel schrik die rottige gruwels hebben, kan mij toch geen moer schelen. Zij zijn begonnen.

Toen ik klein was al. Acht maanden van het jaar zijn ze nergens te zien, en dan een beetje de grote held komen uithangen. Bij een jongetje van zes. Kunnen ze wel!

Ik leerde ermee omgaan, gelukkig, en kon zo’n teveelpotige insectenvreter mij als kleuter nog tot de toppen van hysterie brengen, dezer dagen slagen alleen de grootste viezerds erin om meer dan een gevoel van onbehagen in mij wakker te maken.

Een gewone spin kan ik dus wel aan. Tenminste: kon. Want de woonkamer is pas opnieuw geschilderd. Ach, vroeger! Dan zag ik dus die spin, laten we hem voor het gemak Sebastiaan noemen. Ik verzamelde dan de volgende huishoudelijke attributen: een krant, een borstel en een keukenhanddoek, deze laatste licht bevochtigd om beter mee te kunnen mikken.

De krant sloeg ik open op de pagina met de overlijdensberichten om het dier duidelijk te maken dat het menens was. Met de borstel dreef ik het dier in een hoek van de kamer. En als het daar zat te wennen aan een slopende mengeling van doodsangst en een redelijk gedesoriënteerd gevoel, mikte ik de klamme handdoek naar Sebastiaans laatste rustplaats. Dat werkte meestal. Met een doffe klap en wat laf gekraak vertrokken jaarlijks een tiental spinnen richting andere wereld. Jonge vaders opvreten, ze konden het daar gaan uitleggen.

Maar mijn woonkamer pronkt sinds augustus met een fraai kleurtje, Spanish serenade 6 van Dulux. Stelt u het zich voor als prijzig wit met een licht vermoeden van mauve. Door een vakman aangebracht. Kortom, we wonen weer proper. Ik denk dus wel drie keer na eer ik met een klamme doek de afdruk van een spin op mijn muur print.

Nu zat er maandag eentje in de vouw van het plafond en de muur net boven de bar. De eerste drie kwartier kon ik nog doen of ze er niet was, maar nadien hielp niets meer. Al was er een remake van Emmanuelle op televisie geweest met Scarlett Johansson en Kirsten Dunsten in een gedeelde hoofdrol, dan nog zou ik slechts één ding hebben gezien: die spin daarboven. Ik moest dus dringend aan de slag.

Eerst stak ik alle lichten aan. Want als dat beest op de vloer dondert, dan liefst ergens waar ik het kan zien, zodat ik niet in het wilde weg moet staan trappen. Dan nam ik een droge vaatdoek en die gooide ik naar de spin. Drie keer miste ik. Die spinnen schijnen duizend ogen te hebben maar dit exemplaar had ze vast allemaal dicht, want ze gaf geen kik. De vierde keer wel, want dan vloog de vaatdoek rakelings naast haar zodat ze haar greep loste. Ze stuiterde op de rand van een ingelijste foto en viel tergend sierlijk op de spiegel van het antieke dressoir dat al geruime tijd dienst doet als bar.

Met een arrogantie die gezien haar overlevingskansen op dat moment wel zeer ongepast overkwam, bleef de spin zitten op de dop van de fles Balvenie. Ik had de handdoek én de borstel klaar, maar ik aarzelde. De Balvenie. Whisky van 1989. Gebotteld in 2004. Met de hand. Ik wilde die spin dood, zoveel was zeker. Maar zo’n fles vind je niet gemakkelijk. Er komen er maar driehonderd op de markt per vat. Dat u niet denkt dat alleen rijke mensen wel eens voor dilemma’s komen te staan.

Uiteindelijk is de spin aan zijn eind gekomen dankzij een goed gemikt handwoordenboek Duits met cd-rom. En de fles heeft het overleefd. Daar schenk ik u graag een glas van in als u in de buurt bent. Als u tenminste eerst die dode spin daar weghaalt.

Verschenen als column in De Standaard op woensdag 11 oktober 2006.

Posted by Geert at 15:48:48 | Permalink | No Comments »

Geldontwaarding

Kom mee, we gaan boodschappen doen. Enfin: u gaat boodschappen doen. Jazeker, het is weer uw avond om te koken. Zoals elke 27ste van een maand met een R in. U rijdt gezellig het parkeerterrein van uw favoriete warenhuis op, bemachtigt een winkelwagentje dat u tijdelijk twee euro lichter maakt en eenmaal voorbij de draaideuren, verandert u in een woeste winkelmachine. Als u eens mosselen kocht? Ze zijn wel erg duur. Maar hoeft u dat te verbazen van weekdieren die hun hele leven op een bank hebben doorgebracht? Neen, dus. Drie kilo. Dan zijn de mosselgroentjes gratis. En frietjes. Uit de diepvries. Zijn we toch gewend geraakt. En dat flesje wijn, waarom niet. En die nieuwe cd van K3, dan praten de kinderen misschien weer met u.

Om een lang verhaal kort te maken, u heeft voor goed veertig euro lekkers in uw karretje geladen en kunt ongemerkt de staart vormen van de kortste rij bij de kassa’s, net voor ‘gesloten’ begint te flikkeren. Kortom, het zit u mee. De kassastudent scant alles en u heeft uw biljet van vijftig euro al half uit uw portefeuille getrokken. Daarna lacht de kassastudent u toe en zegt: ,,Dat is dan drie blauwe bonnetjes en twee gele jetons.” U blijft vriendelijk en vraagt: ,,Wablief?” ,,Drie blauwe bonnen en twee gele jetons”, herhaalt de jongeman, ,,die kun je kopen vooraan in de winkel aan die tafel onder de rode parasol.”

U gaat natuurlijk geen discussie aan met de kassastudent, want hij zit niet alleen aan de kassa in uw warenhuis maar ook in het laatste jaar filosofie en u wilt naar huis voor het donker wordt. Maar legt u echt braafjes die driehonderd meter naar de parasoltafel af om u daar een reeks bonnetjes en jetons aan te schaffen, terwijl u een door de Europese Unie plechtig aanvaard betaalmiddel vast heeft? Nee. En toch hebt u de hele zomer lang niets anders gedaan. Op alle mogelijke festivals, optredens, tuinfeesten en kermissen zwaait het bonnetjes- en jetonmonster de plak. Wat zeg ik? Een beetje begrafenis deed al mee! Wie is daar ooit mee begonnen? En waarom pikken we dat allemaal zomaar? Welke occulte drijfveren zijn hieraan voorafgegaan? Ik heb de heren Paepen en D’Hoore wel uitvoerig over geldontwaarding bezig gehoord, maar heeft één van hen voorspeld dat ons geld alle waarde prompt zou verliezen als er een tapkraan en een toren plastic bekers in de buurt kwam?

Nou, nou, ‘t is dat ik het niet laat merken, maar ik erger mij daar nogal aan. Geld is delicaat. Ik ga daar niet licht over. We zijn het er nog niet over eens geraakt of die frieten nu van ons of van de Fransen zijn, maar na decennia gemor en gehakketak zijn we er toch maar mooi in geslaagd om een gemeenschappelijke munt te slaan voor de meeste Europese landen. Zodat we voor de meeste reizen in de ons omringende landen niet eens geld moeten wisselen. En fantastisch dat we dat vinden. Het gemak dat daarmee gepaard gaat! U houdt het niet voor mogelijk. Met de pasmunt die u thuis snel meegraait voor u de vlucht naar Helsinki neemt, kunt u moeiteloos in uw behoeften voorzien in het verre Finland.

Maar bevindt u zich in een tent in Lotenhulle, en heeft u net een trappist, twee pintjes, een spa en een linzethee besteld, en heeft de barmens dat allemaal netjes voor u uitgestald, en probeert u daarvoor te betalen met een biljet van twintig euro, dat in normale omstandigheden eenieder vriendelijk stemt, dan hoort u het weer: ,,’t Is hier met bonnetjes te doen. Vier groene en één oranje voor de trappist.” En met een brede armzwaai trekt de barhoeder de glazen naar zich toe. U vloekt luid omdat u zo uw tranen beter kunt onderdrukken. Ergens in Kaprijke blijkt een tafel met een parasol te staan waar u uw zuur verdiende geld kunt omzetten in waardeloze papierstrookjes, ondertussen heeft de barwachter uw drank netjes opzijgezet zodat u toch nog binnen het uur uw gezelschap kunt verblijden met drie biertjes waar het schuim af is, een spa waar de bruis uit is, en een koude linzethee. Nu ja, koude linzethee of warme linzethee. Maar u begrijpt waar ik heen wil. Verzet u! Weiger die onnozele transacties! Laat winkeltje spelen over aan kleuters! Die bonnetjes zijn er toch maar omdat we met zijn allen te braaf zijn om wat ons rest op het einde van de avond terug om te ruilen, zodat u net als iedereen thuis komt met een slordige zeven euro omgezet in plastic en bonnen. Uw geld ligt nog op de fuif, u houdt wat propjes papier over. Bel de politie! Betalen met euro’s is wettelijk geregeld! Ze kunnen u niets doen! Als u straks die dertiende maand krijgt in de vorm van een rol gele drankbonnen en een houten klapstoel van François Sermijn, moet u bij mij niet komen klagen.

Verschenen als column in De Standaard op woensdag 27 september 2006.

Posted by Geert at 15:47:52 | Permalink | No Comments »

Tante

Elke week maak ik mijn oude tante een paar tellen lang dolgelukkig. Als ik haar kamer binnenkom, schrikt ze op in haar grote fauteuil, ze kijkt me met een blik vol ongeloof aan en haar mond is al open lang voor ze spreekt. ,,Wie we daar hebben”, roept ze dan uit. ,,Dat gij mij hier komt bezoeken, en van zo ver dan nog!” In de wereld waar mijn tante woont, heb ik kennelijk ooit voor een verblijfplaats gekozen die nu vele dagreizen verwijderd is van het zorgcentrum waar zij sinds enkele maanden woont. Geen wonder dat ik telkens word verwelkomd als de verloren zoon, want mijn tante heeft bij elk bezoek weer het gevoel dat ze mij minstens een jaar lang niet heeft gezien.

Tante is precies zo oud als Frank Sinatra, iets waar ze altijd graag de aandacht op vestigde. Tot de dag dat ol’ blue eyes stierf. Sindsdien heeft ze het er niet meer over. Ze is nu negentig en vaak heel erg in de war. Niet dat ze alles vergeet. Ze weet alles nog. Maar het herinneren valt haar zwaarder dan twee of drie jaar geleden. Het is een voortdurend zoeken naar verbanden geworden. De dingen op een rijtje zetten blijkt ineens zowat het moeilijkste dat er is. Ik kon er eerst maar moeilijk aan wennen. Het is vreemd om in de loop van een al bij al kort gesprek te worden aangesproken met de namen van een handvol verschillende volle en aangetrouwde neven, en je te laten meezuigen in een wondere wereld waar doden weer leven, en levenden van naam en leeftijd zijn veranderd. De ene minuut ben ik er, de andere minuut praat ze over mij met mezelf. De keren dat ik bij thuiskomst mezelf al de groeten heb moeten doen, zijn niet meer te tellen.

Soms raak je de juiste snaar en dan vertelt ze honderduit, aangemoedigd door de snelheid waarmee de associaties zich weer aandienen. Over haar kat weet ze niet veel meer te vertellen. Maar haar gezicht klaart op wanneer je over een hond begint. Ze weet best nog dat ze tientallen jaren geleden een hondje had. ,,Een rothond”, verbetert ze meteen. Een foxhond met een fikse portie Britse arrogantie die chargeerde op iedereen die mijn tante of haar zussen ook maar de hand wilde schudden. Een moordwapen met weerbarstig hondenhaar, een onverschrokken gebit op vier poten dat alleen reageerde wanneer een bevel begeleid werd door het geluid van rammelende koeken in een blikken doos. ,,We waren met vier vrouwen thuis”, legt tante uit, ,,vader was net gestorven en we wilden een hond in huis. Maar geen van ons had er een idee van hoe je zo’n dier moest opvoeden. Om de zoveel tijd kwam iemand zijn haar knippen en dan dook hij altijd ergens achter tot we hem met dat koekengerammel konden lokken.”

Die hondenkapper noemde de hond ongegeneerd een ,,miskweekt mormel”. Vreemd genoeg, voor een kennelijk aan de verbeelding van Stephen King ontsproten huisdier, heette het vervaarlijke beest Bibi. ,,Geen gedacht van wie daar toch ooit is op gekomen”, zuchtte tante.

,,Het spijt me dat ik je verjaardag ben vergeten”, zei ze ineens. Haar kaartje was een dag eerder precies op tijd aangekomen. Ze was mijn verjaardag niet vergeten, ze was vergeten dat ze mij een kaartje had gestuurd.

,,Hoe oud ben jij nu?” wilde ze weten. Ik vroeg of ze dat niet kon raden.

,,50?” probeerde ze.

,,Neen”, zei ik, ,,raad nog eens.”

,,51?” klonk het toen. Ik voelde dat het spelletje de verkeerde kant uit ging en haastte me om zelf maar de juiste oplossing aan te reiken. ,,42”, herhaalde ze. ,,42, dan schelen wij uiteindelijk toch niet veel.”

,,Haast niets!” zei ik en ik voegde er wat overmoedig aan toe: ,,we zijn nog samen naar school geweest. Weet je dat niet meer?”

Haar ogen lichtten weer op. ,,Ja, natuurlijk. Dat was plezierig,” zei ze. Honderduit begon ze over haar korte schooltijd te vertellen, tegen die oude klasgenoot die zo onverwacht uit verre contreien op bezoek was gekomen. En ik deed mee. Ik knikte en beaamde dat het een aard had. Vrolijk lachte ik met de anekdotes waarvan mijn tante de pointe voor zichzelf hield omdat ze het te druk had met proesten. Alsof ik erbij was geweest, zo klonken al die vreemde namen die ik voor het eerst hoorde. Lang heeft het niet geduurd, want dan waren de schooljaren weer verstoppertje aan het spelen onder haar grijze krullen en was ik weer de zoon van mijn enige kinderloze neef geworden. Maar het was mooi zolang het duurde. Ik ben zaterdag met mijn tante naar school geweest. In het interbellum nog wel. Er zijn vast saaiere manieren waarop een mens zijn weekend kan doorbrengen.

 

Verschenen als column in De Standaard op woensdag 13 september 2006. 

Posted by Geert at 15:46:08 | Permalink | No Comments »