Een aap zonder haar
Ik heb het nu al zo lang stil gehouden, behalve voor mijn beste vrienden en vriendinnen. Maar ik kan niet langer zwijgen. Het moet er uit. De tijd is er rijp voor. Vandaag wil ik mij outen.
Ja, ik ben al tijdens de eerste week naar King Kong geweest. Jazeker, de hype was aan mij niet voorbij gegaan. Niet dat ik in een tentje voor de bioscoop heb postgevat om bij de allereersten te kunnen zijn, ben je gek. Maar ik ben toch geweest in die dagen dat kaartjes uren voor de eerstvolgende vertoning al waren uitverkocht zodat je de tijd zoek moet maken in de wachthal van het bioscoopcomplex, iets dat in het beste geval wat weg heeft van het zenuwknooppunt van een middelgrote luchthaven maar met meer pluche en popcorn. Jawel, ik ben naar King Kong geweest en ik heb een traan weg gepinkt. Wat zeg ik? Ik heb harder gejankt dan Naomi Watts. En het deed deugd. Voila, het is eruit. U moet het mij vooral niet kwalijk nemen, niemand heeft het gemerkt en zand erover. Er zijn erger dingen te melden. Niet dat ik de hype nodig had. Ik zou zelfs naar een remake van King Kong gaan, als deze was gecreëerd door Guy Lee Thys met een fret in de hoofdrol. Zelfs als het zou gaan om een musicalversie van de beroemde monsterfilm, waarbij de stem van de aap wordt geleverd door Paul de Leeuw en waaruit de enige single “Zet mij neer, zet mij neer zeg ik u!” een bescheiden radiohit wordt in Groningen en Paal. Een kabuki-avond, een postmoderne danscreatie, een versie met poesjenellen, noem maar op – schrijf de woorden King en Kong op uw affiche in de juiste volgorde en de kans is groot dat ik in uw zaal zit. Ik heb namelijk iets met King Kong. Ik herinner me bijvoorbeeld een Frans ondertitelde uitzending op de RTBf. Lang geleden; het was de eerste keer dat ik laat mocht opblijven voor televisie sinds de landing op de maan. We hadden nog een zwartwittelevisie thuis, geloof ik, al maakte dat natuurlijk geen krent verschil voor King Kong. De oorspronkelijke film moet dan veertig jaar oud zijn geweest en ik weet echt niet waarom ik hem tot elke prijs wilde zien. Er was een strip van gemaakt, zo had ik het verhaal leren kennen. Mijn smoes voor de late nacht was dat de ondertitels goed zouden zijn voor mijn Franse lessen, zodat ik er de volgende weken niet aan kon ontsnappen om in dezelfde RTBf-reeks ook The Little Princess met Shirley Temple uit te zitten en Moby Dick met Gregory Peck en een witte walvis. Want moeder wist hoe belangrijk talen waren. King Kong veegde me helemaal van de kaart. O, ik had vast en zeker al betere special effects gezien bij Tita Tovenaar en nonkel Bob. Maar het verhaal van die vreemd bewegende reuzenaap sleepte mij mee alsof het de dag ervoor pas was bedacht. Vele jaren later zou ik me nog moeiteloos scènes uit de film voor de geest kunnen halen. Maar dat is niet de voornaamste reden dat King Kong een rol speelt in mijn leven. U moet het vooral niet verder vertellen maar onder ons wil ik het wel kwijt: ik heb hem nog ontmoet. King Kong. Niet dat we naar dezelfde school zijn geweest of dat onze ouders wel eens samen op vakantie gingen. Maar ik heb er toch eens verdraaid dichtbij gestaan en hem recht in de ogen gekeken. En het leuke was dat ik me daarvoor moest bukken! Het was in Londen en het Museum of the Moving Image was net geopend. En daar stond hij dan, ergens halverwege tussen een wandelstok van Charlie Chaplin en een Dalek uit Doctor Who die je ‘Exterminate!’ kon doen zeggen. Ik kreeg er onmiddellijk compassie mee. King Kong stond niet in een zwaar bewaakte vitrinekast maar gewoon in het midden van een zaal voor rekwisieten en maquettes. Hij was ongeveer veertig centimeter hoog en op het infokaartje kon je lezen dat hij één van de vier beweegbare poppen was die in 1932 werden gebruikt voor de nu zo houterig lijkende stop motion animatiescènes. Kong had doffe oogjes en hij zag er triestig uit, goed vijftig jaar na alle machtsvertoon. Ergens ten huize van Steven Spielberg zat vast al een team 3D-specialisten tyrannosaurussen te ontwerpen op computers, maar Kong stond voor schut, met hier en daar nog wat haar tussen de vele kale plekken. Waar de bekleding helemaal was doorgeschoten, kon je zijn metalen knoken en bouten zien. De pop zo tentoonstellen leek haast even onwelvoeglijk als hoe Kong in de film geketend wordt getoond aan de New Yorkse society. Een zielig ding dat zo door de eerste de beste Action Man of G.I. Joe kon worden gevloerd, als Barbie en Ken met een pint op al niet voldoende waren. Rep u vooral niet naar Londen om te kijken of ik wel de waarheid vertel. Amper tien jaar na de opening sloot het Museum of the Moving Image. Nu ligt King Kong nog in een doos in hun kelder ook. (verscheen in De Standaard op woensdag 18 januari 2006)