En hop een twee en hop een twee
Ik zal maar meteen een regel of drie inruimen om u toe te staan een stoel dichterbij te schuiven, zodat u niet van brute verbazing achteroverslaat bij mijn volgende onthulling. Ik ben namelijk, en dit sinds een paar weken (u ziet, ik hou er de spanning in), aan het fitnessen geslagen. Tegen beter zweten in, als het ware. U kent mij niet zo goed, dus voeg ik daar maar even aan toe: evident was het niet. Nu moet u niet denken dat ik zo ongezond leefde dat iedere voorzichtige neiging tot sporten meer naar reanimatie dan naar ontspanning rook. Wel neen. Mijn overlevingskansen waren prima. Maar mijn conditie kon beter. Dat komt vooral omdat ik een beetje te klein ben voor mijn gewicht.
Ongezond leven is heel relatief. Dat werd ons dit weekend nog maar eens gul geïllustreerd door niemand minder dan Keith Richards zaliger. Ik noem de gitarist van de The Rolling Stones al jaren Keith Richards zaliger omdat het zo onwaarschijnlijk is dat die man echt nog leeft, na de karrenvrachten drugs en sloten alcohol die hij door zijn verzamelde lichaamsopeningen heeft gejaagd sinds de zomer van 1963. ‘Clean zijn’ betekent voor iemand als Keith Richards dat hij niet snuift voor de middag en niet spuit voor het avondeten. En zo iemand doet voor het eerst zijn hoofd een beetje zeer als hij al 62 is geworden. En hoe heeft Keith zijn hoofdje pijn gedaan? Allemaal samen: HIJ IS UIT EEN BOOM GEVALLEN! Hoe bestaat het. Dat een ruige rock-’n-roller niet in de Schepper gelooft, tot daar aan toe, maar om nu zo met Zijn voeten te rammelen, dat is overdreven.
Laten we wel wezen, zo ongezond als Keith Richards heb ik nooit geleefd. Drugs heb ik nooit gebruikt, omdat ik roken wat vies vind en bang ben voor een prik. En ik zou me toch waarschijnlijk een wolk zelfrijzende bloem laten aansmeren tegen een prijs van honderd euro per gram. Jointjes heb ik alleen passief gerookt en als ik ooit marihuanablaadjes heb gezien dan zijn die wellicht zeer per ongeluk in de soep geëindigd. Maar ik moet toegeven dat diëten voor mij lange tijd betekende: overschakelen van Chimay blauw op Chimay rood, of na de derde Delirium Tremens downscalen tot een tripel van Westmalle. Ik moet bekennen dat ik niet de minste horror ervoer bij het aanschouwen van een pak frieten, zelfs indien vergezeld van een onverschrokken frikandel. En het is waar dat ik mezelf al een hele vegetariër vond toen ik besloot wat minder vlees te eten bij het ontbijt.
Tot sporten was ik al helemaal niet te bewegen. Op school werd dat ook niet aangemoedigd. Tenzij u het af en toe scanderen van ‘hup hup’ als een aanmoediging interpreteert. We hadden twee uur lichamelijke opvoeding in de week maar die dienden uitsluitend om de spieren los te gooien van de jongens die tijdens het weekend echt aan sport deden. Ik had er werkelijk geen idee van waar al dat heen en weer geren goed voor kon zijn, tenzij voor het vertrouwd raken aan de zweetgeur van klasgenoten. Dat alleen kon het merkwaardige gebrek aan douches verklaren. Elke activiteit die het lezen van een boek bemoeilijkte, schoof ik hooghartig terzijde, en al wie al eens probeerde om Terug naar Oegstgeest te lezen en tegelijkertijd rond een speelplaats te lopen, kan de gevolgen perfect inschatten.
Ik zie nog altijd John Thaw voor me, in die aflevering van Inspector Morse waarin hem werd gevraagd of hij wel eens sportte, zo tussen twee real ales door. ,,Ik verafschuw fysieke inspanningen”, bromde hij, met een gezicht alsof iemand hem net had gesuggereerd om te jongleren met koeienvlaaien. Een sterk geval van overidentificatie maakte zich van mij meester. En mijn omgeving bleef mij laffelijk gelijk geven. Ik heb weinig vrienden en vriendinnen een bezoek moeten brengen in het ziekenhuis, maar de meeste van hen lagen er uitgeteld als gevolg van een of andere sportbeoefening. Tijdens het voetballen of lopen, squashen of skiën, hadden zij botten gebroken, pezen gescheurd en spieren uitgerekt waarvan het bestaan mij volkomen onbekend was. Dan tel ik F. nog niet mee, wiens schouder uit de kom was geraakt bij een bijzonder levendig partijtje biljarten. Evenmin P., die zijn verwondingen had opgelopen aan de rand van een voetbalveld, na het herhaaldelijk veel te hard roepen van de naam van zijn zoontje vlakbij het oor van Dikke Dree de Dokwerker, wiens eigen kind al na twee minuten met een rode kaart van het veld was gestuurd.
Niets van dat alles heeft het uiteindelijk gehaald. Fietsen die niet vooruitrijden hoe hard je er ook op trapt, loopmachines die alles voor je doen behalve lopen, roeimachines die de meest drieste galeislaaf nog geen nat pak zouden bezorgen, al deze rariteiten heb ik mij eigen gemaakt. Het ziet er allemaal raar uit, maar het valt eigenlijk best mee. Ik heb namelijk ook die laatste aflevering van Morse gezien.
(verschenen in De Standaard op woensdag 3 mei 2006)