Thursday, December 22, 2005

(brul)

ge moet

allemaal

naar  KING KONG

gaan kijken !!!

Posted by Geert at 18:42:34 | Permalink | No Comments »

Saturday, December 17, 2005

Pattex

Ik had Jan al maanden niet meer gesproken toen ik hem toevallig tegenkwam in, of all places, Parijs. U moet zich daarbij niet meteen stokbrood, musette en hot club de france voor de geest halen, we waren allebei voor het werk op wandel en zagen elkaar gewoon op perron 8 van het Gare du Nord.  Daar wachtte een Thalys om ons naar huis te sporen. Jan is een fijne collega, u kent dat, het zou bijpraten worden of er een Pulitzer mee te verdienen viel. Zo gauw die Thalys op kruissnelheid liep, waren wij dan ook terug te vinden in de Moving Bar met elk een hete Lavazza voor onze neus. Ik ga u ons gesprek niet uit de doeken doen, lezer, dat zou onwelvoeglijk zijn, maar ik breng graag verslag uit van een plotse wending. Een potige kerel in maatpak die ons al een tijdje had staan bekijken, vroeg eensklaps met luide stem: “Van de kanten van Gent?” Nu woont Jan al twaalf jaar in Brugge, maar hij ontkent niet zomaar zijn Gentse roots. Wij bekenden en voor we het goed en wel beseften stond er een derde bekertje koffie tussen die van ons. Met daaraan de arm van de kerel, die ik maar Pattex zal noemen. Hij bleef toch voor de rest van het traject aan ons plakken.

 

“Ja, als ik Vlaams hoor spreken op de Thalys, spits ik mijn oren. Ik ben van Oost-Vlaanderen maar ik woon al tien jaar in Brussel,” ging hij door. “Mensen vragen mij wel eens of ik daar graag woon. Weet je wat ik dan zeg?” Wij hadden er het raden naar. “Het heeft zijn voordelen en het heeft zijn nadelen. Ha ja, zo is dat.” Er was geen speld tussen te krijgen. “Ik spreek daar een taal van een minderheid. Je weet toch wat de grootste talen zijn in onze hoofdstad? Frans, Arabisch en Engels. Dan komt het Nederlands. Al kan het zijn dat het Spaans ons ondertussen heeft ingehaald. Met al die latino’s.” Wij konden het ook niet zo gauw narekenen. Pattex liet zijn kopje koffie ostentatief tussen de onze in staan, wetend dat eraan nippen als een teken van afscheid zou kunnen worden geïnterpreteerd. En afscheid nemen was zijn sterkste kant niet.

 

“Er zijn er veel in Brussel, hoor,” snoof hij verder, “dat kun je niet vergelijken met Gent en dat handjevol Turken. In Brussel nemen ze dat multiculturele serieus. Bruine, bleke bruine, zwarten, chocolatten en alternatief gekleurden.” Pattex was geen racist, meer een eufemist. “Met de zwarten kon je nog lachen, maar met die Marokkanen… veel te lange tenen. Ik heb ooit eens met een Congolees een grap gemaakt over zijn vrouw. Midden in Matombe! En die neger – mag ik neger zeggen – lachte zich te barsten.” Hij priemde met zijn wijsvinger onder mijn schouderblad. “Moet jij nou voor de aardigheid eens proberen morgen. Ga in een Marokkaanse buurt wat grapjes maken over hun vrouwen. En vertel me eens hoe het afloopt. Stuur maar een kaartje vanuit het ziekenhuis.”

 

Pattex verlegde om de paar minuten zijn evenwicht van de ene voet op de andere. Toen hij weer een tijdje naar links had geheld sprak hij: “Maar dat mag je niet zeggen, dat ze lange tenen hebben. Want wij zijn het die onverdraagzaam zijn. Dat is nog het ergste: dat je de waarheid niet meer kan zeggen. Of je bent een racist. Juist toch?”

 

Nog terwijl wij probeerden hierop een genuanceerd antwoord te verzinnen, ratelde Pattex al lustig verder. Niet alleen anders gekleurde landgenoten droegen zijn afkeuring weg. Nog voor we de Franse grens voorbij waren, had hij al de Nederlanders, de Duitsers en de Fransen onder het puin van de beschaving geschoffeld. Alleen die sneer naar de neringdoeners hadden we niet zien aankomen.

 

“Vanochtend kwam ik aan in Parijs en ik dacht: ik pik hier in het station nog gauw een ontbijt mee. Dus ik bestel een koffie en een croissant. Wat denk je? Croissant? Parijs? Délicieux? Vergeet het! Taaie, kartonnen kost! Jongens toch, waar moet dat heen. Paris! Nu ja, bij ons is het niet veel beter. Met die bakkers tegenwoordig. Weet je wat die doen?” Pattex wachtte ons antwoord niet af. “Alles uit de diepvries halen! Rap, rap in de oven! Want welke bakker wil er nu nog midden in de nacht opstaan?” Wij hapten naar adem. Samenzweerderig boog Pattex zich voorover. “Die alternatief gekleurden,” zo begon hij, “dié doen dat nog. De hele familie staat ’s nachts op en iedereen staat daar bij die ovens te zweten. En dan nog een stuk of wat illegalen die helpen. Daar kan dat nog. Je mag zeggen van die mannen wat je wil, maar lui zijn ze nooit geweest. Die werken er nog voor. En die weten nog wat vers brood is.” Pattex was steeds stiller gaan spreken. Er kwam een bekentenis aan, Jan en ik voelden het allebei. “Die kunnen nog croissants maken. Jaja, ik kom ervoor uit: deze jongen haalt op zondag zijn croissants bij die bruine mannen. Ze zijn zeer lekker.” Ontroerd staarde Pattex naar zijn koffiebekertje. “En nog goedkoper dan onze diepvriesbakkers ook.”

 

                   (verschenen in De Standaard op woensdag 14 december 2005)

 

 

Posted by Geert at 22:33:03 | Permalink | No Comments »