Wednesday, June 29, 2005

Fantasie doodt

Levensgevaarlijk is het, fantasie. Ik was ervoor gewaarschuwd. Ik was nog geen tiener of een onderwijzer schold me de huid vol omdat ik zat te dromen in de klas. Van fantaseren kwam nooit wat, zei de man nors, die met een beetje fantasie misschien in een leuker beroep was terechtgekomen. Toen geloofde ik hem niet. Fantasie gevaarlijk? Kom nou. Madame Bovary kende ik niet en van Muntz en van de Wint had ik nog nooit gehoord. Ik was negen en wist ik veel dat er mensen omwille van hun fantasie zinzelf ten gronde richtten, achter de tralies vlogen of een kopje kleiner werden gemaakt. Dat hoefde niet want dat wist die onderwijzer ook allemaal niet.

 

Het levensbedreigende van dat fantaseren zat hem hierin: terwijl je gezellig wat weg zat te dromen, ging iemand anders met je boterhammen aan de haal. Vrij vertaald naar mijn schooltijd; mijn verlangens waren zeer beperkt. Later bleek die fantasie in de weg te staan van goede schoolresultaten, grootste onderscheidingen, de beste jobs en de hoogste wedden.

Och, achteraf blijkt dat best mee te vallen. Mijn fantasie heeft me één keer ei zo na mijn hachje gekost, toen ik lekker wegdromend over straat sjokte en zonder al te veel interesse voor naderend verkeer overstak. Luid toeterend scheerde een auto mij rakelings voorbij. Sindsdien loop ik alleen nog te dromen op het voetpad. Exclusief alle andere delen van de straat.

De andere keren dat mijn leven tijdelijk in gevaar kwam door mijn fantasie, had ik het uitsluitend aan mezelf te danken. Ik ben namelijk al verschillende keren naar het leven gestaan omwille van een hebbelijkheidje van me. Ik kan het namelijk niet laten om te gaan fantaseren over dieren die roemloos aan hun eind zijn gekomen. Vooral tegenover al wie daarin de hand had. Ware tranentrekkers verzin ik dan, in onvervalste Disney-stijl, en als ik me op zo’n momenten zou kunnen laten begeleiden door een violist, ik zou het nog doen ook.

Niet dat ik zo weekhartig word in het aanschijn van een insect dat vloekend naar adem hapt in de vliegenlijm of dat een doodgereden straatmus mij religieus maakt. Ik ga ook niet meteen 100 euro overschrijven op de rekening van Gaia omdat ik iemand naar een mug heb zien slaan. Maar het heeft mij altijd gefascineerd hoe gemakkelijk we een klein leventje vernietigen, uit nonchalance of bij wijze van spel, en hoe gemakkelijk we ons zelf verwensen als een etter wat gaat doorbomen over de sociale achtergrond en het gezinsleven van het zojuist verpletterde.

Een voorbeeldje, en beeldt u zich voor het gemak mij in de rol van de etter in. Ik zit bij X in de tuin en zij heeft zojuist twee mieren doodgetrapt die onder de terrastafel op haar zenuwen begonnen te werken.

Etter: “Heb je dat gehoord?”

X: “Daar trap ik niet in. Mieren kraken niet als je ze doodtrapt. Dat zijn spinnen.”

Etter: “Neen. Een kreetje. Dat was een klein miertje, het meisje van die rechtse.”

X: “Oh, hou op.”

Etter: “Ze is meteen weggerend naar het nest. Weet je hoe lang die gangen zijn? Dat hele eind loopt ze te janken en op mama te roepen. Kan haar niet schelen of de koningin het hoort of niet. Dan komt ze eindelijk thuis en hapt ze naar adem. Tot het er uit komt. ‘Papa is dood! Papa is dood!’ Dat wil niemand geloven. Maar het mierenmeisje heeft papa onderaan die schoenzool zien plakken en wist: groot zijn we niet maar als we zo plat zijn, zijn we dood. ‘Papa is niet dood,’ zegt mama, ‘papa komt wat later naar huis. Hij is op wandel met Pier.’

Pier de mier zit ook in de bouw en is papa’s favoriete collega. De familie van Pier wordt erbij gehaald en is diep onder de indruk van de beschrijving van vader in platte toestand. Het meisje wordt geloofd en al gauw geeft iedereen zich over aan tomeloos verdriet. Wat moet het meisje nu? Helemaal alleen. Met haar mama en honderdenzeven broertjes en zusjes. En papa die nooit meer terugkomt.”

X: “Hou op!”

Etter: “En het was ook nog haar verjaardag!”

Ik heb enkele ‘hou op’s overgeslagen en liet ook na melding te maken van het glas water dat ik in mijn gezicht kreeg, onmiddellijk na de introductie van Piers weduwe en weesjes.

Dit zou het geheime wapen van de vegetariërs kunnen worden. U moet eens proberen te genieten van uw kalfslapje als aan de andere kant van de tafel Etter hardop zit bijeen te dromen hoe mama koe in de weide dikke tranen in het gras plengt. Uw vork heeft nog nooit zo snel in de aardappelgratin gezeten, geloof me. Maar ik wil die vegetariërs niet meteen onoverwinnelijk maken. Dan zijn al die dieren voor niets gestorven.

U moet het zelf eens proberen. Begin met iets simpel als een mier en werk u langzaam op langs roadkill en tegen het raam gevlogen vogels tot de reddeloze schapen in de wei, een feilloos nummer bij een heerlijke lamsbout. Het werkt en het is onschuldig amusement. Voor deze zomer voorspellen ze trouwens een mierenplaag. Ik moet het gsm-nummer van die Yossif Ivanov eens zien te pakken te krijgen.  

(column gepubliceerd in De Standaard op woensdag 29 juni 2005)

 

Posted by Geert at 12:13:46 | Permalink | No Comments »