Een scheet in de opera
De laatste wedstrijden van Justine en Kim op televisie? Ik heb ze stuk voor stuk gemist. De uitsluiting van Xavier? Ik was toevallig net aan het zappen. Je zou kunnen zeggen, dat ik geen tennisfan ben. Om te beginnen: ik snap niets van tennis. Het heeft me een jaar gekost om te begrijpen waarom de twee spelers elk aan een kant van het net staan en het verschil kennen tussen gravel en gras komt mij hooguit van pas als de kattenbak weer eens moet worden ververst. Sportverslagen lees ik dan ook zelden, omdat er nooit de noodzakelijke woordenlijst bij wordt gepubliceerd. Nu weet ik best dat ik termen en uitdrukkingen als backhand, rechtsbuiten, ‘met wind op kop’ en ‘ervoor gaan’ ook in de Van Dale kan vinden, maar da’s toch weer zo’n gedoe bij het ontbijt.
|
De jongste weekendverslaggeving over het Roland Garros tornooi heb ik toch gevolgd, omdat je er nauwelijks omheen kon. Titels suggereerden onheil en sensatie, blokletterden moord en brand, beloofden geweld en oproer, en ik ben ook maar een mens. Maar ik moet zeggen dat de aangekondigde heibel aan de keurige kant bleef. Een en ander speelde zich zondag af tijdens de wedstrijd van de blitse Spanjaard Rafael Nadal tegen de wat druilerige Fransman Sebastien Grosjean. Het was een ongelijke strijd, met Nadal als onverschrokken Don Quichot en Grosjean regelrecht uit Les sous-doués en vacances. Niettemin: Grosjean was de Laatste Fransman Nog In De Competitie. De Spanjaarden leken het te zullen halen van de Fransen en dat zinde de tribunes niet. Het Franse publiek liet zich nogal gaan. Ze floten, riepen boe, en gaven zich schaamteloos over aan liederlijk tieren en brullen. Met de voeten stampten zij, en op de scheidsrechter scholden zij. Kortom, het was alsof er iemand een scheet liet in de opera, net voor de aanhef van een aria. Deze keer moesten de verslaggevers er de Van Dale bij halen om hun verontwaardiging lucht te geven. Schandalig, het publiek in Parijs gedroeg zich ‘alsof ze zich in een voetbalstadion waanden’. En in vele artikels dook het woord hooligan op, want het was zondag en probeer daarvoor dan maar eens een goede Franse vertaling te vinden. Er zat een vies luchtje aan die verontwaardiging, rook u dat ook? Het leek er wel een beetje op dat het normaal was dat het gepeupel dat naar voetbalwedstrijden gaat, zich dergelijke calamiteiten moet laten welgevallen, maar dat zulks toch niet kan worden verwacht van keurige lieden die naar het tennis gaan kijken en zich daarvoor de moeite getroosten om een passend Pierre Cardin ‘foularke’ aan te trekken. De paniek rond het court Chartrier moet groot geweest zijn zondag. U weet hoe die Parijzenaars zijn. Stelt u zich eens voor dat u ertussen zat, zo’n handvol piekfijn uitgedoste oudere jongeren die loeihard ‘bou’ roepen, in het wilde weg fluiten en brullen van “ça alors!”, “parbleu!” en “ta mère est une femme assez extraordinaire, tu sais!” De ellende, de schaamte, de nederlaag! Neen, laat ze op ’s lands voetbalvelden gerust roepen dat de moeders van de spelers lichtekooien zijn. Maar één Parijzenaar fluit op zijn vingers voor een ’serve’ en het is alsof alweer een pijler van onze samenleving is ingestort. Dat is allemaal nog het ergste niet. U moet zich eens voorstellen hoe dit soort nieuws aankomt bij de rechtgeaarde hooligan. Hun vak wordt helemaal uitgehold, door die Parijse kapoenen zomaar ‘hooligan’ te noemen. Iemand die op straat knipoogt naar een meisje van veertien met te veel navel, noem je ook niet de nieuwe Dutroux. U zal maar, hooligan zijnde, maandagochtend wakker worden in het ziekenhuis, met belangrijke onderdelen van uw lichaam omzwachteld, en met deze berichtgeving worden geconfronteerd. “Fuck!” zegt zo’n hooligan dan, want zulke dingen zeggen zij, “die Parijse watjes geven hooligans een slechte naam.” En ja, het zijn stielbedervers. Een hooligan is niet iemand die op zijn vingers fluit om zijn ongenoegen te uiten, quoi. Een hooligan roept niet boe, zelfs niet onder bedreiging. Een ware hooligan sms’t niet eerst naar huis om te zeggen dat het wat later wordt. Neen, hooligan zijn, da’s een way of life. Dat is leren hard zijn en heel veel oefenen. Je mag pas beginnen snoeven vanaf je vijfde muilpeer. Je moet leren littekens te accentueren zonder dat het opvalt dat je schmink gebruikt. Je slachtoffers zodanig toetakelen dat ze je toch nog feilloos uit de line-up kunnen halen. En dan komt er zo’n deftige notaris uit Parijs die zijn hand vlak naast zijn mond posteert en met “con” op de lippen de voorpagina’s van alle kranten haalt. Het is, en dat was lang geleden, godgeklaagd. (column Tegen beter weten in, verschenen in De Standaard op 1 juni 2005) |