Het boze oog
Dieren jagen ons de stuipen op het lijf, daar moeten we geen doekjes om winden. We hebben er zelfs woorden voor. Om het draaglijk te maken. Naargelang je last hebt van arachnofobie, ranidafobie of selachofobie, heb je een broertje dood aan spinnen, kikkers of haaien. In het geval van selachofobie misschien wel letterlijk. Maar heeft iemand ooit gehoord van columbofobie? Ga er even voor zitten: ik word niet goed in het gezelschap van duiven.
Bijvoorbeeld. Zit ik op een perron te wachten op een trein. De kruimels van mijn broodje vallen op de grond en meteen duiken de beesten van overal op. Ze landen voor mijn voeten en gaan met van die arrogante pasjes de kruimels omcirkelen. Ze pikken hun gratis lunch op en verliezen mij ondertussen geen seconde uit het oog. Want in welke hoek dat duivenkopje ook staat, altijd houden ze één oog op mij gericht. Die grote zwarte pupil met de oranje iris. Heeft iemand trouwens al duiven met twee poten gezien? Ik weet niet wat voor spelletjes die vogels spelen, maar ik denk dat zij een variant kennen op dat ruige kroegspel, waarbij je de vingers van je hand spreidt op een blok hout terwijl de een of andere gek probeert daar een hakmes tussen te planten. In ieder geval, onthou dat: de gemiddelde duif heeft één poot en één stompje.
Maar goed, die duiven zitten me daar aan te staren met dat ene oog, met een blik vol verwijt, terwijl ik ze toch het eten gewoon voor de snavel strooi. En dan heb ik het door: ze weten het! Het is geen vermoeden, geen gok, neen, de duiven zijn perfect op de hoogte. Vijftien jaar geleden heb ik namelijk een duif doodgereden. Niet dat ik een wrok koesterde tegen het dier. Ik reed met de wagen een straat met éénrichtingsverkeer in, jaren voor Zone 30 bon ton zou worden, en zag een duif in het midden van de weg zitten. Ik kwam aangereden en dacht: mijn auto maakt lawaai, die duif ziet hem groter worden, zo meteen vliegt het beest geschrokken op en dan rij ik daar netjes onderdoor. De duif dacht daar anders over. Ze zat daar met een air van ‘heb ik jou daar’. Een duif vraagt zich nooit dingen af als ‘vind je mijn gat niet te dik in die pluimen’. Een duif heeft meer zelfvertrouwen dan goed voor ze is. Dus dacht ze: dat moet één van die vliegtuigen zijn. Hoe luider dat lawaai wordt, hoe hoger die voorwielen de lucht in gaan. En als het oorverdovend wordt, lossen ook die andere wielen hun greep en vliegt dat ding keurig over mij heen.
De duif was fout en ik heb ze dus tot mijn verbazing overreden. Discreet doe je zoiets niet. Ik zie ze nog zitten. Op dat ene moment dat ik dacht: nu moet ze echt wel opstijgen. Toen ik doorkreeg dat ik de enige van ons tweeën was die de situatie juist had ingeschat, zag ik nog net dat ene oog heel erg groot worden. Het hele leven van die duif flitste nog even aan haar voorbij, en ineens zag ik ze niet meer. Meteen daarna zag ik in mijn achteruitkijkspiegel een witgrijze wolk van veren onder mijn auto uit schieten. Niets dan pluimen. Ik ben nog even gestopt om te zien of er nog iets te redden viel, maar zelfs uit culinair oogmerk was de toestand hopeloos. De duif was dood, haar veren hadden al afscheid genomen.
Ik heb me toen niet verontschuldigd, omdat de vogel de excuses reeds ver voorbij was, maar sedertdien gedraag ik mij keurig in het verkeer en ik ben er zeker van dat geen enkel dier nog onder mijn wielen aan een vroegtijdig einde is geraakt. Daarom, duiven, vind ik enige blijk van W iedergutmachung toch op zijn plaats. Vooral dat gedoe met dat boze oog, dat moet echt eens gedaan zijn.
Niet dat ik duiven van de weeromstuit boeiende dieren ben gaan vinden of hen met respect bejegen. Ze kunnen perfect kaartlezen en het zijn de enige wezens die voor geen geld kunnen vliegen zonder over beenruimte te klagen. En wat doen ze als je ze op de trein zet naar het zuiden van Frankrijk? Ze stappen daar uit en keren onmiddellijk terug naar Lotenhulle. Ik heb geen reisbenen, maar dat vind zelfs ik belachelijk.
Het zijn de enige vogels die ooit carrièrekansen kregen maar ze zijn nooit verder geraakt dan wat bijklussen voor de post. Als vredesbrengers deugen ze ook al niet. Hoe lang is het nog geleden dat oorlog en tweedracht werden gestopt door een duif met kruiden in de snavel?
In de pan laten ze zich al helemaal niet van hun beste kant zien, want ze krimpen ongeveer tot een twintigste van hun omvang voor de ajuin goed knisperig is.
Waar ze al die arrogantie dus blijven halen weet ik niet. Het moet maar eens uit zijn. Vreet mijn kruimels, dans rond mijn voeten, toe maar. Maar bewaar dat boze oog voor lui die hun scherptezicht en luchtgeweren oefenen op duiven. En let alsjeblieft een beetje op waar je die poten neerzet.
(column Tegen beter weten in, verschenen in De Standaard op 21 april 2005)