Creatief met kurk
|
Als u twijfelt tussen de dvd van Sideways en het boek… koop de cd. Meesterlijk sexy loungejazz.
|
|
Als u twijfelt tussen de dvd van Sideways en het boek… koop de cd. Meesterlijk sexy loungejazz.
|
|
Groot gelijk heeft u, als u mij omwille van deze en hierboven geposte berichten een bemoeial noemt. Hier vertel ik u naar welke dvd’s het fijn kijken is, weke cd’s het kopen waard blijven, welke boeken u dient te lezen en meer van dat fraais. Als het mij te binnen schiet. Misschien live, terwijl ik luister, kijk of lees. Jaja, mannen kunnen van alles tegelijk doen. |
Mijn column “Tegen beter weten in” verschijnt tweewekelijks op woensdag in de krant De Standaard (www.standaard.be). Af en toe plaats ik enkele eerder verschenen exemplaren op deze blog.
Ik dacht: laat ik er vandaag eens een wervende titel boven zetten. Het is tenslotte lente voor iedereen. Maar eigenlijk wil ik het helemaal niet over porno hebben. Tja, dat leest u nu pas. Wél heb ik het graag over de vooruitgang en de wetenschap. Hoe. Zo? Het zit zo. Porno is, excusez le mot, altijd al een stuwende kracht in de samenleving geweest. Dat was het vast al honderd jaar geleden, toen het nog een voorrecht was van notabelen en rijken. Historici wijzen ons er graag op met welke overgave chique volk op dat vlak zijn maatschappelijke taak heeft volbracht. Al was porno dan nog een verzamelwoord voor zwart-witfilms waarin wazig flikkerende mannen en vrouwen zich naakt overgaven aan allerlei gekrioel waarvoor de fitnessindustrie nog lang niet genoeg woorden had bedacht. Zonder geluid en op een bereidwillige pianist hoefde je toen echt niet te rekenen.
Maar het fenomeen is onbetwistbaar veelvoudig versterkt sinds porno, euh gedemocratiseerd is. Belangrijke ontwikkelingen in de fotografie en de mode hadden met seks en porno te maken, en de geschiedenis van de video-industrie al helemaal. Als VHS het in de jaren zeventig met zo’n gigantische voorsprong van de concurrentie heeft gehaald, was dat grotendeels veroorzaakt door de bijna-afwezigheid van porno bij de alternatieve videosystemen. Of we dat nu leuk vinden of niet.
Internet hebben we natuurlijk allemaal in huis gehaald om niet meer voor ieder moeilijk woord naar de openbare bibliotheek te hoeven lopen en om gemakkelijk de nieuwste vegetarische recepten op te kunnen zoeken. En toch. Volgens de trefwoordenhitlijsten die zoekmachines als Google publiceren staan woorden die met erotiek en porno verwant zijn, hoog bovenaan onze verlanglijstjes. Al zou het kunnen dat u de voorbije dagen vaker op ‘Onur Air’ heeft gezocht.
Nu weet u ook meteen waarom de CB (vragen aan papa, jongens en meisjes) in onbruik is geraakt en waarom die toestellen waarmee radioamateurs hun slaapkamer volstouwen nooit hip zullen worden. Maar wat lees ik vandaag overal? Een boel geruchten en voorspellingen over ,,seks en gsm’s” (ik had gegoogled op ‘gsm’).
Aanbieders van gsm-breedbandverbindingen gebruiken blijkbaar volop porno om nieuwe klanten te lokken. Met al die lelijke gsm-masten die overal te lande als harkerige fallussymbolen verrijzen, hoeft het ons eigenlijk niet te verbazen.
De Franse operator Orange pocht met een enorm aanbod aan videoclips waarin vooral douchende dames en halfnaakt strandgestoei te zien is. Er zijn natuurlijk ook andere filmpjes verkrijgbaar, maar liefst een derde van de gedownloade filmpjes zijn erotisch getint. Vodaphone pakte onlangs uit met pornogames in Duitsland, Griekenland en Portugal. Goed voor 30.000 downloads in de eerste twee maanden. Pas op, het was winter.
Marginaal zou ik dit alles niet noemen. Er wordt verwacht dat de gsm-industrie nog dit jaar meer dan een miljard dollar uit porno zou halen, en zelfs als het iets trager loopt dan verhoopt, zou het totale bedrag tegen eind volgend jaar zeker verviervoudigd moeten zijn.
Waarom vertel ik u dat nu allemaal? Om uw morele verontwaardiging aan te scherpen? Opdat u uw kinderen hun gsm’s zou afnemen? Bijlange niet. Ik vertel u dit om u behulpzaam te zijn bij de beroepskeuze voor uw kroost. Weet u welk beroep ik zou willen uitoefenen, als al deze cijfers binnen een paar jaar - zoals verwacht - correct voorspeld blijken te zijn? Oogarts.
Oogarts, zeg ik u. Heeft u al ooit eens een gsm met dergelijke video- of andere beeldcapaciteiten gezien? Weet u hoe groot zo’n scherm van een gsm is? Neem het van mij aan: met 3 op 2,5 cm hebt u een groot exemplaar te pakken. Als we dus echt met zijn allen massaal naar porno beginnen te kijken op onze gsm, dit verrekend met de gemiddelde vertraging van treinen in de spits, en de stijgende vereenzaming in de maatschappij, dan gaan onze ogen eraan. Het morele verval zal dan wel de minste van onze zorgen zijn, als wij en al onze kinderen met een bril met glazen van -5 rondlopen. We zullen massaal tegen elkaar opbotsen! En gezien we gsm-gewijs aan ons gerief komen, zal dat zo ongeveer nog de enige vorm van sociaal contact zijn.
Maar de toekomst van uw kinderen is gevrijwaard. Hun ogen luiden voor hen niet het verval in. Neen, want u hebt deze column goed gelezen. Geen dank, maar uw schatten worden straks oogarts, of ze dat nu willen of niet. Een beroep met toekomst! Succes gegarandeerd. Als u er alleen aan denkt dat u ze maar beter met een goedkoop model gsm naar school stuurt. Als ik u nog eens een plezier kan doen.
(column Tegen beter weten in, verschenen in De Standaard op 18 mei 2005)
Dieren jagen ons de stuipen op het lijf, daar moeten we geen doekjes om winden. We hebben er zelfs woorden voor. Om het draaglijk te maken. Naargelang je last hebt van arachnofobie, ranidafobie of selachofobie, heb je een broertje dood aan spinnen, kikkers of haaien. In het geval van selachofobie misschien wel letterlijk. Maar heeft iemand ooit gehoord van columbofobie? Ga er even voor zitten: ik word niet goed in het gezelschap van duiven.
Bijvoorbeeld. Zit ik op een perron te wachten op een trein. De kruimels van mijn broodje vallen op de grond en meteen duiken de beesten van overal op. Ze landen voor mijn voeten en gaan met van die arrogante pasjes de kruimels omcirkelen. Ze pikken hun gratis lunch op en verliezen mij ondertussen geen seconde uit het oog. Want in welke hoek dat duivenkopje ook staat, altijd houden ze één oog op mij gericht. Die grote zwarte pupil met de oranje iris. Heeft iemand trouwens al duiven met twee poten gezien? Ik weet niet wat voor spelletjes die vogels spelen, maar ik denk dat zij een variant kennen op dat ruige kroegspel, waarbij je de vingers van je hand spreidt op een blok hout terwijl de een of andere gek probeert daar een hakmes tussen te planten. In ieder geval, onthou dat: de gemiddelde duif heeft één poot en één stompje.
Maar goed, die duiven zitten me daar aan te staren met dat ene oog, met een blik vol verwijt, terwijl ik ze toch het eten gewoon voor de snavel strooi. En dan heb ik het door: ze weten het! Het is geen vermoeden, geen gok, neen, de duiven zijn perfect op de hoogte. Vijftien jaar geleden heb ik namelijk een duif doodgereden. Niet dat ik een wrok koesterde tegen het dier. Ik reed met de wagen een straat met éénrichtingsverkeer in, jaren voor Zone 30 bon ton zou worden, en zag een duif in het midden van de weg zitten. Ik kwam aangereden en dacht: mijn auto maakt lawaai, die duif ziet hem groter worden, zo meteen vliegt het beest geschrokken op en dan rij ik daar netjes onderdoor. De duif dacht daar anders over. Ze zat daar met een air van ‘heb ik jou daar’. Een duif vraagt zich nooit dingen af als ‘vind je mijn gat niet te dik in die pluimen’. Een duif heeft meer zelfvertrouwen dan goed voor ze is. Dus dacht ze: dat moet één van die vliegtuigen zijn. Hoe luider dat lawaai wordt, hoe hoger die voorwielen de lucht in gaan. En als het oorverdovend wordt, lossen ook die andere wielen hun greep en vliegt dat ding keurig over mij heen.
De duif was fout en ik heb ze dus tot mijn verbazing overreden. Discreet doe je zoiets niet. Ik zie ze nog zitten. Op dat ene moment dat ik dacht: nu moet ze echt wel opstijgen. Toen ik doorkreeg dat ik de enige van ons tweeën was die de situatie juist had ingeschat, zag ik nog net dat ene oog heel erg groot worden. Het hele leven van die duif flitste nog even aan haar voorbij, en ineens zag ik ze niet meer. Meteen daarna zag ik in mijn achteruitkijkspiegel een witgrijze wolk van veren onder mijn auto uit schieten. Niets dan pluimen. Ik ben nog even gestopt om te zien of er nog iets te redden viel, maar zelfs uit culinair oogmerk was de toestand hopeloos. De duif was dood, haar veren hadden al afscheid genomen.
Ik heb me toen niet verontschuldigd, omdat de vogel de excuses reeds ver voorbij was, maar sedertdien gedraag ik mij keurig in het verkeer en ik ben er zeker van dat geen enkel dier nog onder mijn wielen aan een vroegtijdig einde is geraakt. Daarom, duiven, vind ik enige blijk van W iedergutmachung toch op zijn plaats. Vooral dat gedoe met dat boze oog, dat moet echt eens gedaan zijn.
Niet dat ik duiven van de weeromstuit boeiende dieren ben gaan vinden of hen met respect bejegen. Ze kunnen perfect kaartlezen en het zijn de enige wezens die voor geen geld kunnen vliegen zonder over beenruimte te klagen. En wat doen ze als je ze op de trein zet naar het zuiden van Frankrijk? Ze stappen daar uit en keren onmiddellijk terug naar Lotenhulle. Ik heb geen reisbenen, maar dat vind zelfs ik belachelijk.
Het zijn de enige vogels die ooit carrièrekansen kregen maar ze zijn nooit verder geraakt dan wat bijklussen voor de post. Als vredesbrengers deugen ze ook al niet. Hoe lang is het nog geleden dat oorlog en tweedracht werden gestopt door een duif met kruiden in de snavel?
In de pan laten ze zich al helemaal niet van hun beste kant zien, want ze krimpen ongeveer tot een twintigste van hun omvang voor de ajuin goed knisperig is.
Waar ze al die arrogantie dus blijven halen weet ik niet. Het moet maar eens uit zijn. Vreet mijn kruimels, dans rond mijn voeten, toe maar. Maar bewaar dat boze oog voor lui die hun scherptezicht en luchtgeweren oefenen op duiven. En let alsjeblieft een beetje op waar je die poten neerzet.
(column Tegen beter weten in, verschenen in De Standaard op 21 april 2005)
Naar aanleiding van de Nationale Lachdag op zondag zijn we bestookt met informatie over het fenomeen lachclubs. Er blijken in ons land behoorlijk wat van die clubs aan de weg te timmeren. De lachclubs vertrekken vanuit schone gedachten, waarvoor ik ze een warm hart toedraag. Ze gaan ervan uit dat wij blij zijn omdat we lachen, en niet lachen omdat we blij zijn. Dat is niet uitgesloten. Om van die informatie zo veel mogelijk profijt te dragen, komen ze regelmatig samen om tijdens lachsessies te gniffelen, te schateren en te gieren.
Wat kan daar nu op tegen zijn? En toch, laat ik net hier nu afhaken. Want wat hoor ik? Hiervoor doen zij niet, zoals ik had gehoopt, een beroep op komieken of andere professionele vrolijke Fransen. Mensen van het slag Dame Edna, Geert Hoste en Hans Teeuwen nodigen ze niet uit. Nee, ze huren een gediplomeerde lachtherapeut in, iemand die naar school is geweest om mensen te doen lachen. Deze stielbedervers van de humor maken geeneens grapjes. Ze zweren bij lachoefeningen, waarbij mensen in groep van ha-ha-ha en ho-ho-ho gaan doen. Aanstekelijk is dat. Ze hebben het op tv getoond, in Terzake, een programma dat normaal toch niet om te lachen is. Maar ik geloof het niet goed. Je krijgt toch ook geen tandpijn door in groep au-au-au te gaan roepen.
Lachclubbers houden van lachen, maar om dat nu met humor te gaan doen Hoe humorloos moet een mens zijn, om lachen tot een spieroefening te reduceren? Ik zou denken dat er toch huizen vol cd’s, boeken, dvd’s te stouwen zijn met voortreffelijke humor, voor elk wat wils, om maar te zwijgen van het niet stuk te krijgen live entertainment terzake? ‘t Is toch niet dat je er gemakkelijk doorheen raakt. Op mijn iPod alleen staan al vier etmalen comedy. Als ik dat ding vandaag aanzet en zijn gang laat gaan, zijn morgen mijn kaken gescheurd.
Oké, om vandaag nog te kunnen schaterlachen met Molière, Shakespeare of een opera van Mozart heeft een moderne mens een dikke handleiding nodig. Laten we ons dus beperken tot het aanbod van de vorige eeuw. Het is immens. Ongeveer 20 dvd’s van Monty Python. Een paar duizend oneliners van Simon Carmiggelt, Jules Deelder en Freek de Jonge. Het verzameld werk van Urbanus op een dozijn cd’s. Zevenduizend vrijwel identieke, maar onweerstaanbare grappen van Tommy Cooper. Evenveel quotes van Woody Allen. Chérie in het Chinees. Een paar honderd zotte smoelen van Louis de Funès. Zestig uur Seinfeld . Gaston Berghmans die Joske Vermeulen doet. Trammezandlei 124 in Schoten. Ik moet al lachen als ik deze voorbeelden bijeen verzin. Kortom, zelfs voor wie nog nooit heeft gehoord van Bill Hicks, Wim Helsen of Rodney Dangerfield… zelfs voor wie denkt dat Het Geslacht De Pauw echt een documentaire is, vallen er toch al gauw een paar duizend lachuren te vullen met heerlijk vakwerk van mensen die er hun hele leven mee bezig zijn geweest om hun medemens te laten lachen en schateren. Welke emoties moet een mens dan al niet afzweren om dat allemaal opzij te zetten en een beetje cynisch in groep onder zijn oksels en voetzolen te laten kietelen? Heb ik het nu zo verkeerd voor als ik denk dat dat allemaal mensen zijn die veel te weinig op tijd naar de wc gaan?
Ik lach heel graag, wat mij al op menige begrafenis zuur is opgebroken, om maar eens zo’n professional te quoten. En in groep samenkomen om eens goed te lachen lijkt mij dezer dagen een van de nobelste bezigheden die men zich qua escapisme nog kan veroorloven. Maar laten we toch vooral niet te beroerd zijn om elkaar te amuseren, grappen te vertellen, elkaar te vermaken met geestige verhalen, zelf gebeurd en echt verzonnen. Laten we elkaar ongegeneerd citaten uit Blackadder naar het hoofd smijten, flarden uit Buiten de zone en W817 uitwisselen en plezierige anekdotes aaneenrijgen. Van P.G. Wodehouse die zijn brieven gewoon uit het raam gooide omdat Engelsen toch zo beleefd zijn om die op te rapen en in de dichtstbijzijnde postbus te droppen, tot Koen Crucke die onze vorst proficiat wenste omdat die naast hem zijn koninklijk gevoeg kwam doen. En daarna, als we dan echt allemaal zijn uitverteld, laten we dan pas de humor laten voor wat ze is en onze toevlucht nemen tot het kietelen en haha-fitness. Lachen doe je beter niet lettergreep per lettergreep, maar van harte.
Niet dat ik iets heb tegen lachtherapeuten of lachclubs. Maar als ze hier niet mee kunnen lachen, zal het wel weer mijn schuld zijn.
(column Tegen beter weten in, verschenen in De Standaard op 23 maart 2005)
Ik heb te doen met Kevin. Let wel, beste lezer, dat ik hiermee niet bedoel dat er iets moois bloeit tussen ons. Ik heb met hem te doen in de betekenis dat ik me zorgen over hem maak. En was ik daar eerder op gekomen, dan had dat u alvast één paragraaf gescheeld. Ik las dat het gat in de ozonlaag wat groter is geworden boven onze wijk. Dus vroeg of laat moet iemand erachter komen dat zulks de schuld van Kevin is. En zal ik er dan zijn om hem te beschermen tegen de woedende menigte? Zal ik zijn toekomst kunnen verzekeren, ondanks het leed dat hij onze buurt heeft berokkend?
Het zit zo: Kevin woont sinds een paar maanden in ons appartementsgebouw. Daar is hij door zijn ouders in een studio gedropt om in de stad te studeren, als een vogeltje dat te vroeg uit het nest is getrapt. Nou, dat zit Kevin dus niet mee. De meest elementaire beginselen van samenleven met mensen die je dialect niet beheersen, zijn hem voor zijn gedwongen vertrek van de haard immers niet medegedeeld.
Niet dat ik hem ’s nachts zachtjes hoor huilen. Ik zie het aan kleine dingen. Hij wordt bijvoorbeeld in de war gebracht door onze stadsgebruiken. U moet zich de ontreddering van Kevin voorstellen toen hij voor het eerst met een plastic zakje etensresten in de afvalkerker van ons flatgebouw kwam. Een grote oranje bak! Twee grote grijze bakken! Drie grote blauwe bakken! Die dag bleek dat Kevin niet kan lezen, want de syndicus van het gebouw heeft een betrekkelijk eenvoudige handleiding der bakken op een A4′tje op de deur gekleefd. Maar dat mocht niet baten. Paniek brak uit en van pure consternatie is hij die dag overgeschakeld op zijn geheel eigen systeem van afval sorteren. In grote trekken komt het erop neer dat hij zijn vuilnis in of rond de afvalcontainer kiepert waar hij het dichtste bij staat.
Ik verdenk hem ervan soms, in een goedmoedige bui, langs de afvalkerker binnen te komen, de verpakking van zijn eten bovenop onze vuilniszakken te gooien en al kauwend in de lift te stappen. Zolang wij Kevin zien kauwen, zijn wij gerust. Iedereen hier herinnert zich nog die nacht dat hij de hal heeft ondergekotst. Trouwens, alles is beter dan zijn gulle gewoonte om op uitgaansavond de wanden van de lift met tabak en marihuana te bekleden, of het zou moeten zijn dat die geur daar gewoon hangt omdat hij er een joint heeft opgestoken. Maar dat zou al te bar zijn, in een rookvrij gebouw.
De vuilnismannen van deze stad staken wel eens, en komen dan met klachten over te veel werk en te weinig centen. Wij weten wel beter. Het is allemaal de schuld van Kevin. De vuilnismannen zijn hem stilaan een ettertje beginnen vinden. Als ze bij ons de container met zakken restafval in de laadbak kieperen, kunnen ze met een beetje verbeelding de week van Kevin reconstrueren aan de hand van de smurrie die hij tussen de reglementaire zakken heeft geprakt. Ofwel moeten ze een stapel papierwerk opstellen omdat hij stadsvreemde vuilniszakken gebruikt. De naam van de stad staat zeer duidelijk op onze vuilniszakken vermeld en er zijn zelfs zakken in omloop met een foto van de burgemeester, voor analfabeten. Maar het is goedkoper voor Kevin om tijdens het weekend bij mama een vuilniszak te stelen, en vergeet het niet: hij leest onze taal niet en vergeet dat de naam van zijn West-Vlaamse honk erop vermeld staat. Dat zien de vuilnismannen niet graag want die moeten maar van één stad de naam kunnen onthouden en daar moet Kevin geen lachertje van maken.
Kortom, Kevin is geen leuke buurman. Als ik kon kiezen, ruilde ik hem vandaag nog in voor zotte Francis, die heden vrijkomt na zeventien jaar cel omdat hij in 1988 zijn hele appartementsgebouw heeft uitgemoord met een pas gescherpt kleurpotlood. Toch probeer ik het voor hem op te nemen, en bedenk dan welke positieve drijfveren ik Kevin zou kunnen toeschrijven om hem te redden uit de handen van briesende buren. Dan zeg ik vast dat hij het allemaal doet voor de werkgelegenheid. Per slot van rekening is er niemand in ons gebouw die meer doet om de poetsvrouw werk te bezorgen. Of dacht u dat hij die kots zelf had weggedweild? Neen, zo is Kevin niet gebriefd. Hij heeft van zijn bikkelharde en genadeloze ouders allicht geen dweil meegekregen. Die slingert nog ergens in het ouderlijke huis, naast zijn manieren.
Mijn buurvrouw vertelt boos dat die Kevin zich nergens aan stoort. Dat hij al die dingen doet en laat omdat hij een asociale vlegel is, die denkt dat de zon uit zijn reet schijnt en dat wij allemaal maar op de wereld zijn gezet om achter zijn rug zijn klussen op te knappen. Maar dat is onzin. Zulke Kevins wonen hier niet.
(column Tegen beter weten in, verschenen in De Standaard op 9 februari 2005)
Ik slaap niet zo best de laatste tijd. Met eten gaat het ook wat minder. Ja, ik pieker wat af. En dan heb ik het geeneens over piekeren zoals ons dat door Betty van Big Brother is geleerd, neen: ik maak me zorgen. Al weken breek ik mij het hoofd over wat er in ’s hemelsnaam aan de hand is met Karen en Filip. Het zou kunnen dat u Karen en Filip niet kent. Ik ken ze trouwens ook niet. Laten we samen nader met ze kennismaken.
Ik ken Karen en Filip alleen van hun plakkaat. Hun plakkaat is van een goedkope houtsoort gemaakt en op een oranje achtergrond toont het de boodschap ,,Karen + Filip. 20-09-2004.” Een dag voor de vermelde datum merkte ik het plakkaat voor het eerst op. Meteen was ik heel blij voor Karen en Filip. Wat kon deze cryptische boodschap anders betekenen dan dat deze twee ongetwijfeld fijne jonge lieden, met elkaar in het huwelijk zouden treden? Zulks is immers de enige gelegenheid waarbij de politie oogluikend toestaat dat er geïmproviseerde wegwijzers worden opgesteld die de namen van de trouwers vereeuwigen in het straatbeeld. Aan één kant was het plakkaat met een zaag zodanig bewerkt dat het met een pijl naar rechts wees. Het stond aan het einde van de uitrit van de snelweg in Gentbrugge en zo wist ik meteen: niet alleen hebben Karen en Filip elkaar gevonden, neen, zij vieren dat, en nog wel hier, in Gentbrugge. Ik hoef u niet te vertellen welk een warme gloed bij dergelijke melding door me heen gaat. Nog nooit heb ik gehoord van Karen of Filip, maar als er helemaal bij het einde van de uitrit iemand met een collectebus had plaatsgevat, had ik wat graag een bijdrage geleverd om de huwelijksreis van deze heerlijke jonge mensen mede te bekostigen. Noem mij gerust week, maar dan moet je mij eens in het weekend meemaken.
Wanneer precies mijn vreugde is geweken voor een steeds groeiende bezorgdheid, dat durf ik niet te becijferen. Maar ik heb die uitrit van de E17 nog een paar keer genomen en het probleem is, dat het plakkaat van Karen en Filip er nog hangt. Gisteren zag ik het opnieuw en tranen schoten terstond in mijn ogen toen ik uitrekende dat goed twee maanden na de mooiste dag in het leven van Karen en Filip waren verstreken, en er iets onbeschrijflijk droefs moest zijn gebeurd, dat beide jonge mensen had belet om het bordje terug te komen halen. Vast en zeker wil men zo’n plakkaat bewaren bij de huwelijksgeschenken? Eerst dacht ik nog: tiens, Karen en Filip zijn nu nog niet terug van huwelijksreis. Maar twee maanden. En die rage van wereldreizen is nu toch echt wel over zijn hoogtepunt heen.
Dan kwamen de spookbeelden. Ik zag een huwelijksfeest voor mij met ware Thomas Vinterbergallures. Woeste clanhoofden die elkaar naar het leven staan, de maagdelijkheid van de bruid in twijfel trekken, alsmede twijfel zaaien over de toekomstkansen van de bruidegom. Verontwaardigde familieleden van de jongeman die hun messen slijpen, geen sinecure met dat zilveren bestek, en met vlammend zwaard de eer van de familie zweren te zullen redden. Ondertussen, in de keuken, hel en verdoemenis - de soufflé is ingezakt en de chef is op zoek naar de schuldige. Er ontstaat een handgemeen, er komen brokken van. Bloed spat in het rond, ook aan de tafels waar niemand saignant had besteld. Er vallen gewonden. Sissend als giftige adders die bij hun staart worden weggetrokken, gaan de twee families uit elkaar. Karen slaat huilend de handen voor haar ogen. Filip, verzwakt door het spuug van haar familie, knielt neder en weent ook. Aan weerszijden weerklinken kreten. Wij willen u nooit meer zien! Verzwelg in de hel, venijn! Steeds kleiner voor elkaar worden de groepjes terugtrekkende ex-feestvierders. Woede en haat woeden in alle ogen. Ergens achterin gilt een neefje: ,,En wat doen we nu met die plakkaten?” en krijgt prompt een lel. Aan de overkant snottert een nichtje dat Filip niet te beroerd zou zijn om die te verwijderen, maar ze wordt bedankt met een knaller van een oorveeg en gelijk ontriefd van zes weken zakgeld.
De families gaan uit elkaar in een sfeer van oorlog en ellende. Karen en Filip zullen elkaar nooit terugzien, op straffe van een gruwelijke dood, en iedereen weet dat. En de familie van Karen is ervan overtuigd dat het aan dat tuig van Filips kant is om de plakkaten en andere herinneringen aan dit verdoemde feest te doen verdwijnen. Terwijl Filips kant maar één ding zeker weet: dat die familie van die trut van een Karen alleen nog maar goed is om plakkaten van de openbare weg te verwijderen, en dat ze daar maar beter meteen mee kunnen beginnen. Vandaar dat niemand handelt, en de stille getuigen van het gruwelfeest tot vandaag hun pijnlijke verhaal blijven vertellen, daar aan die uitrit van de E17.
Het zou natuurlijk ook kunnen zijn dat Karen en Filip na hun eerste huwelijksnacht gewoon niet meer aan het plakkaat hebben gedacht, of meenden dat het daar net zo goed kon blijven hangen tot een gemeentearbeider het uiteindelijk zou verwijderen. Maar dat lijkt me zo ver gezocht, dat ik het niet eens durf te denken.
(column Tegen beter weten in, verschenen in De Standaard op 1 december 2004)
Het lidmaatschap van clubs heeft mij nooit erg aangesproken. Niettemin, sinds vorige week ben ik geprikkeld om een lidkaart aan te vragen bij www.vaginavrienden.be. Ik heb me namelijk nooit bij de vijanden van het gewaardeerde orgaan gerekend en als ik dat met een eenvoudige, hopelijk jaarlijks hernieuwbare lidkaart kan bewijzen, is dat mooi meegenomen. Je krijgt er zelfs een geinige sleutelhanger bij!
Met de Vaginavrienden wil Goedele Liekens, excusez le mot , een lans breken voor de vagina. Dat is nodig, blijkens een onderzoek in opdracht van Organon, de producent van een vaginale ring. Veel vrouwen zouden zich schamen voor hun vagina, en al evenveel vrouwen zouden er weinig of niets van afweten. Nergens las ik hoe dergelijke onderzoeken gebeuren, terwijl de methode me belangrijk lijkt. Ik ontmoet behoorlijk wat vrijgevochten en zeer mondige vrouwen, voor wie seksuele onzekerheid iets is wat enkel bij derden voorkomt. Maar stel dat iemand hen tot staan brengt midden op de stoep, zich voorstelt als komende van de planeet Organon, en vervolgens allerlei vragen over hun geslachtsorgaan begint te stellen, dan zouden zij dat van de weeromstuit prompt weer schede gaan noemen.
Moeten vrouwen anders gaan aankijken tegen hun vagina? Volgens mij brengt dat vooral rugklachten mee. ,,Ik ben tante vagina niet”, zei Goedele in deze krant en ik wil mezelf dan zeker niet tot nonkel lul bombarderen. Maar bij het lezen van al die kolommen over vagina’s voelde ik spontaan iets opwellen.
Vrouwen zouden zich onheus behandeld moeten voelen omdat het woord ‘kut’ stilaan een scheldwoord is geworden. Iets wat we slecht vinden, noemen we kut, dus daar gaat het zelfrespect, volgens de regel van het kind en het badwater. En mannen? Die hebben leuke woordjes voor Het Hunne, zoals piemel. Niet om lullig te doen, maar dat vind ik nu een klote-opmerking. Mannen vinden piemel en plassertje geen leuke woorden. Het zijn woorden die werden uitgevonden omdat we bij de start onzer levens nu eenmaal moeten leren richten. Om later geen figuur te slaan. Als die behendigheid een keer is verworven, horen moeders dergelijke woorden op te bergen tot de geboorte van een volgende zoon.
Toe maar, vrouwen hebben ook leuke woorden voor daar beneden. Niemand minder dan Jeroen Brouwers heeft ze ooit ,,hun tussenbenigheidje” aangereikt. Als ze dat laten liggen, kunnen wij het ook niet helpen. Vrouwen spreken vaak liefkozend over hun kutje, er schuilt weinig agressie in het woord poesje, en wat is er overigens mis met vagina? Vagina is een mooi woord. Ik zou mijn kat Vaginaatje hebben genoemd, ware het niet dat je last krijgt met de buren als je haar probeert binnen te roepen.
Mogen wij ons heel even op onze pik getrapt voelen als Goedele praat over hoe mannen omgaan met hun geslachtsorgaan? Het lijkt wel alsof jongens zelden zonder liniaal de douche worden ingestuurd. Alsof het vergelijken van elkaars geslachtsdeel meer van onze jeugd heeft gevergd dan kwartetten, bikkelen, Brut for Men en Star Trek samen. Het zal wel waar zijn dat veel vrouwen niet met hun vagina te koop lopen, maar geloof me vrij: ook in menige mannenonderbroek schuilt herenleed. Oké, een woord als schaamlippen mag je niet in leven houden. Maar jongens hebben ook een schaamstreek. Mannen hebben schaamhaar. Ik heb de tijd nog meegemaakt dat vrouwen er ook hadden.
Mij stemt het droef dat sommige meisjes vandaag nog wordt geleerd dat het aanraken van een vagina ‘vies’ is. Men moet er voorzichtig mee omspringen tijdens het gebruik van het openbaar vervoer, maar verder: niets mis mee, meiden. Alleen: het aanraken van de penis wordt in Vlaamse huishoudens ook niet echt aangemoedigd. Een onderzoek wees uit dat ,,slechts zeven procent van de vrouwen even gemakkelijk over hun vagina praat als mannen over hun penis”. Lulkoek. Mannen praten onderling helemaal niet over hun penis. Laat staan gemakkelijk. Ik heb het even opgenomen met vrienden die veel broers hebben, en zij bevestigen mijn vermoeden dat ontbijtgesprekken thuis zelden uitdraaiden op conferences over nachtelijke zaadlozingen of het genadeloos vergelijken van ochtenderecties. Ik dacht even nog dat ik gewoon was ingedommeld toen ik de laatste keer met vrienden op stap was, maar eenvoudige navraag leerde dat wij het die keer inderdaad niet over onze respectieve geslachtsorganen hadden. Sterker nog. Van mijn beste vrienden heb ik nog nooit iets over hun penis vernomen. Zij niets over de mijne. Ziehier een vacuüm. Ik ga straks eens kijken of de domeinnaam penisvrienden.be nog beschikbaar is. Iemand een idee voor een geinige sleutelhanger?
(column Tegen beter weten in, verschenen in De Standaard op 20 oktober 2004)