Wednesday, June 29, 2005

Fantasie doodt

Levensgevaarlijk is het, fantasie. Ik was ervoor gewaarschuwd. Ik was nog geen tiener of een onderwijzer schold me de huid vol omdat ik zat te dromen in de klas. Van fantaseren kwam nooit wat, zei de man nors, die met een beetje fantasie misschien in een leuker beroep was terechtgekomen. Toen geloofde ik hem niet. Fantasie gevaarlijk? Kom nou. Madame Bovary kende ik niet en van Muntz en van de Wint had ik nog nooit gehoord. Ik was negen en wist ik veel dat er mensen omwille van hun fantasie zinzelf ten gronde richtten, achter de tralies vlogen of een kopje kleiner werden gemaakt. Dat hoefde niet want dat wist die onderwijzer ook allemaal niet.

 

Het levensbedreigende van dat fantaseren zat hem hierin: terwijl je gezellig wat weg zat te dromen, ging iemand anders met je boterhammen aan de haal. Vrij vertaald naar mijn schooltijd; mijn verlangens waren zeer beperkt. Later bleek die fantasie in de weg te staan van goede schoolresultaten, grootste onderscheidingen, de beste jobs en de hoogste wedden.

Och, achteraf blijkt dat best mee te vallen. Mijn fantasie heeft me één keer ei zo na mijn hachje gekost, toen ik lekker wegdromend over straat sjokte en zonder al te veel interesse voor naderend verkeer overstak. Luid toeterend scheerde een auto mij rakelings voorbij. Sindsdien loop ik alleen nog te dromen op het voetpad. Exclusief alle andere delen van de straat.

De andere keren dat mijn leven tijdelijk in gevaar kwam door mijn fantasie, had ik het uitsluitend aan mezelf te danken. Ik ben namelijk al verschillende keren naar het leven gestaan omwille van een hebbelijkheidje van me. Ik kan het namelijk niet laten om te gaan fantaseren over dieren die roemloos aan hun eind zijn gekomen. Vooral tegenover al wie daarin de hand had. Ware tranentrekkers verzin ik dan, in onvervalste Disney-stijl, en als ik me op zo’n momenten zou kunnen laten begeleiden door een violist, ik zou het nog doen ook.

Niet dat ik zo weekhartig word in het aanschijn van een insect dat vloekend naar adem hapt in de vliegenlijm of dat een doodgereden straatmus mij religieus maakt. Ik ga ook niet meteen 100 euro overschrijven op de rekening van Gaia omdat ik iemand naar een mug heb zien slaan. Maar het heeft mij altijd gefascineerd hoe gemakkelijk we een klein leventje vernietigen, uit nonchalance of bij wijze van spel, en hoe gemakkelijk we ons zelf verwensen als een etter wat gaat doorbomen over de sociale achtergrond en het gezinsleven van het zojuist verpletterde.

Een voorbeeldje, en beeldt u zich voor het gemak mij in de rol van de etter in. Ik zit bij X in de tuin en zij heeft zojuist twee mieren doodgetrapt die onder de terrastafel op haar zenuwen begonnen te werken.

Etter: “Heb je dat gehoord?”

X: “Daar trap ik niet in. Mieren kraken niet als je ze doodtrapt. Dat zijn spinnen.”

Etter: “Neen. Een kreetje. Dat was een klein miertje, het meisje van die rechtse.”

X: “Oh, hou op.”

Etter: “Ze is meteen weggerend naar het nest. Weet je hoe lang die gangen zijn? Dat hele eind loopt ze te janken en op mama te roepen. Kan haar niet schelen of de koningin het hoort of niet. Dan komt ze eindelijk thuis en hapt ze naar adem. Tot het er uit komt. ‘Papa is dood! Papa is dood!’ Dat wil niemand geloven. Maar het mierenmeisje heeft papa onderaan die schoenzool zien plakken en wist: groot zijn we niet maar als we zo plat zijn, zijn we dood. ‘Papa is niet dood,’ zegt mama, ‘papa komt wat later naar huis. Hij is op wandel met Pier.’

Pier de mier zit ook in de bouw en is papa’s favoriete collega. De familie van Pier wordt erbij gehaald en is diep onder de indruk van de beschrijving van vader in platte toestand. Het meisje wordt geloofd en al gauw geeft iedereen zich over aan tomeloos verdriet. Wat moet het meisje nu? Helemaal alleen. Met haar mama en honderdenzeven broertjes en zusjes. En papa die nooit meer terugkomt.”

X: “Hou op!”

Etter: “En het was ook nog haar verjaardag!”

Ik heb enkele ‘hou op’s overgeslagen en liet ook na melding te maken van het glas water dat ik in mijn gezicht kreeg, onmiddellijk na de introductie van Piers weduwe en weesjes.

Dit zou het geheime wapen van de vegetariërs kunnen worden. U moet eens proberen te genieten van uw kalfslapje als aan de andere kant van de tafel Etter hardop zit bijeen te dromen hoe mama koe in de weide dikke tranen in het gras plengt. Uw vork heeft nog nooit zo snel in de aardappelgratin gezeten, geloof me. Maar ik wil die vegetariërs niet meteen onoverwinnelijk maken. Dan zijn al die dieren voor niets gestorven.

U moet het zelf eens proberen. Begin met iets simpel als een mier en werk u langzaam op langs roadkill en tegen het raam gevlogen vogels tot de reddeloze schapen in de wei, een feilloos nummer bij een heerlijke lamsbout. Het werkt en het is onschuldig amusement. Voor deze zomer voorspellen ze trouwens een mierenplaag. Ik moet het gsm-nummer van die Yossif Ivanov eens zien te pakken te krijgen.  

(column gepubliceerd in De Standaard op woensdag 29 juni 2005)

 

Posted by Geert at 12:13:46 | Permalink | No Comments »

Wednesday, June 15, 2005

Zadelpijn

Het is tamelijk onopvallend onder ons door gegleden, maar het is voorbij: de World Naked Bike Ride 2005 zit er op. U zal wel één van de geinige artikels of reportages hebben gezien. Over het hele westerse halfrond spraken kleine groepjes enthousiastelingen via het wereldwijde web af voor ludieke protestritten. Daarbij was het de bedoeling was om zaterdag, slechts in een fiets gehuld, de overheersing van de stad door de auto te hekelen. Per slot van rekening worden die auto’s met seks verkocht.

Het fietsfenomeen is ooit begonnen in Spanje - dat heb je met die warme landen - en de jongste jaren kwamen er in elk Europees land een stuk of wat grote steden bij. Een merkwaardige vorm van protest, die op weinig of geen begrip kan rekenen. In het beste geval worden de betogers wat onnozel maar onschuldig bevonden.

Betogen en protesteren zijn belangrijke democratische rechten, evenals het recht op onnozelheid. Toch stellen wetenschappers de vraag of naakt fietsen wel moet worden aangemoedigd. Om te beginnen: fietszadels zijn lang niet altijd pareltjes van ergonomische vormgeving. En zelfs als ze dat wel zijn, is er zelden rekening mee gehouden dat de fietser er in adamskostuum op plaatsneemt. Ik kan mij moeilijk voorstellen dat Eddy Merckx bij een inspectieronde in zijn geroemde fietsatelier halt houdt bij de meesterzadelmaker, de pas afgewerkte producten schouwt en vraagt of er toch rekening gehouden is met pijnlijke wrijvingen ter hoogte van de bilnaad en of er geen zadelovertrek rond kan die in de witte was mag. Neen, alle gekheid op een stang, we moeten dankbaar zijn voor alles wat tussen ons achterwerk en een fietszadel in komt.

Maar die blootbetogers zijn niet zo gemakkelijk van hun stuk te krijgen. Ze hebben de geschiedenis mee. Toen dertig jaar geleden de eerste streakers zonder kleren aan door Londen renden, vierden die nog vooral dat ze zonder kleren aan door Londen renden. Maar je kleren uittrekken om je argumenten kracht bij te zetten is sedertdien bon ton geworden. Probeer trouwens maar eens een kleinschalig protest in de nationale pers te krijgen als iedereen zijn ondergoed aan houdt. Dus zien we overal uitgeklede mensen opduiken, slechts in loopschoenen en slogans gehuld. Bij de inauguratie van Bush, voor de etalages van bontjassenhandelaars, om te hekelen dat het onderwijs wordt uitgekleed of om de textielproducenten te jennen die ver van ons bed de slavenarbeid opnieuw hebben uitgevonden. Meestal bedoelen ze het goed en niemand heeft er last van.

Dergelijke protesten en acties als de World Naked Bike Ride worden wereldwijd ongemoeid gelaten. We zijn de paniek voorbij, sinds De Nieuwe Mama weten we dat het met het morele verval nog zo’n vaart niet loopt. In de meeste wereldsteden kwam de politie natuurlijk een kijkje nemen (want de betogers hadden plaats en uur van vertrek in het grootste geheim op het internet gezet). Ze liet de betogers een paar straten lang vrolijk belletjes rinkelen, maande hen dan vriendelijk aan om hun kleren aan te trekken en daarmee was de kous af. Niet zo in Brussel, waar de nobele burgemeester Freddy Thielemans lucht kreeg van het initiatief en prompt de slip- en bikiniplicht invoerde. De fietsers die zaterdag zouden samenkomen op het Brusselse Poelaertplein, wisten op voorhand dat ze hun bloot protest in hun onderbroek zouden moeten waarmaken. ‘t Is toch hetzelfde niet.

Thielemans, een man die zijn roots heeft in de tijd dat alcoholisme nog gewoon een gezellige hobby was die in familieverband probleemloos kon worden beoefend, trof deze maatregel omdat een vlucht blote fietsers te veel Brusselaars voor het hoofd zou stoten. Een paar weken geleden was hij anders niet zo bezorgd over zijn schapen, toen hij tijdens een officieel diner een fles champagne liet ontkurken om in stijl de dood van de paus te vieren.  

Maar soit, de burgemeester heeft natuurlijk gelijk. Zijn we nu helemaal de pedalen kwijt? Het zijn geen manieren om, bij wijze van protest of niet, in je blote reet door het stadscentrum te fietsen op zaterdagmiddag. Je kan er bovendien donder op zeggen dat die lui de hele tijd door aan die fietsbellen gaan zitten jekkeren en daar kan ik niet tegen. Neen, er zijn toch voldoende manieren om te betogen in waardigheid en in stijl, zonder iemand met goede smaak voor het hoofd te stoten. Trek bijvoorbeeld eens een plastic vuilniszak aan. Steek een pop in brand. Zet iets belachelijks op uw hoofd. Neem een doodskist mee. Scandeer mank rijmende slogans met woordspelingen waarvan zelfs Phil Bosmans nog zou denken: neen, dit kunnen we niet maken. Neem vooral zo’n toeter mee waarmee zeilers elkaars op volle zee de stuipen op het lijf jagen. Roep van dzjieke dzjakke dzjieke dzjakke en weet je wat? Huur zo’n grappige sirene met een zwengel. Alles is beter dan je aan te stellen door naakt door de stad te fietsen.

(column gepubliceerd in De Standaard op woensdag 15 juni 2005)

Posted by Geert at 15:55:23 | Permalink | No Comments »

Saturday, June 4, 2005

Een scheet in de opera

De laatste wedstrijden van Justine en Kim op televisie? Ik heb ze stuk voor stuk gemist. De uitsluiting van Xavier? Ik was toevallig net aan het zappen. Je zou kunnen zeggen, dat ik geen tennisfan ben. Om te beginnen: ik snap niets van tennis. Het heeft me een jaar gekost om te begrijpen waarom de twee spelers elk aan een kant van het net staan en het verschil kennen tussen gravel en gras komt mij hooguit van pas als de kattenbak weer eens moet worden ververst. Sportverslagen lees ik dan ook zelden, omdat er nooit de noodzakelijke woordenlijst bij wordt gepubliceerd. Nu weet ik best dat ik termen en uitdrukkingen als backhand, rechtsbuiten, ‘met wind op kop’ en ‘ervoor gaan’ ook in de Van Dale kan vinden, maar da’s toch weer zo’n gedoe bij het ontbijt.

De jongste weekendverslaggeving over het Roland Garros tornooi heb ik toch gevolgd, omdat je er nauwelijks omheen kon. Titels suggereerden onheil en sensatie, blokletterden moord en brand, beloofden geweld en oproer, en ik ben ook maar een mens. Maar ik moet zeggen dat de aangekondigde heibel aan de keurige kant bleef.

Een en ander speelde zich zondag af tijdens de wedstrijd van de blitse Spanjaard Rafael Nadal tegen de wat druilerige Fransman Sebastien Grosjean. Het was een ongelijke strijd, met Nadal als onverschrokken Don Quichot en Grosjean regelrecht uit Les sous-doués en vacances. Niettemin: Grosjean was de Laatste Fransman Nog In De Competitie.

De Spanjaarden leken het te zullen halen van de Fransen en dat zinde de tribunes niet. Het Franse publiek liet zich nogal gaan. Ze floten, riepen boe, en gaven zich schaamteloos over aan liederlijk tieren en brullen. Met de voeten stampten zij, en op de scheidsrechter scholden zij. Kortom, het was alsof er iemand een scheet liet in de opera, net voor de aanhef van een aria.

Deze keer moesten de verslaggevers er de Van Dale bij halen om hun verontwaardiging lucht te geven. Schandalig, het publiek in Parijs gedroeg zich ‘alsof ze zich in een voetbalstadion waanden’. En in vele artikels dook het woord hooligan op, want het was zondag en probeer daarvoor dan maar eens een goede Franse vertaling te vinden.

Er zat een vies luchtje aan die verontwaardiging, rook u dat ook? Het leek er wel een beetje op dat het normaal was dat het gepeupel dat naar voetbalwedstrijden gaat, zich dergelijke calamiteiten moet laten welgevallen, maar dat zulks toch niet kan worden verwacht van keurige lieden die naar het tennis gaan kijken en zich daarvoor de moeite getroosten om een passend Pierre Cardin ‘foularke’ aan te trekken. De paniek rond het court Chartrier moet groot geweest zijn zondag. U weet hoe die Parijzenaars zijn. Stelt u zich eens voor dat u ertussen zat, zo’n handvol piekfijn uitgedoste oudere jongeren die loeihard ‘bou’ roepen, in het wilde weg fluiten en brullen van “ça alors!”, “parbleu!” en “ta mère est une femme assez extraordinaire, tu sais!” De ellende, de schaamte, de nederlaag! Neen, laat ze op ’s lands voetbalvelden gerust roepen dat de moeders van de spelers lichtekooien zijn. Maar één Parijzenaar fluit op zijn vingers voor een ’serve’ en het is alsof alweer een pijler van onze samenleving is ingestort.

Dat is allemaal nog het ergste niet. U moet zich eens voorstellen hoe dit soort nieuws aankomt bij de rechtgeaarde hooligan. Hun vak wordt helemaal uitgehold, door die Parijse kapoenen zomaar ‘hooligan’ te noemen. Iemand die op straat knipoogt naar een meisje van veertien met te veel navel, noem je ook niet de nieuwe Dutroux. U zal maar, hooligan zijnde,  maandagochtend wakker worden in het ziekenhuis, met belangrijke onderdelen van uw lichaam omzwachteld, en met deze berichtgeving worden geconfronteerd. “Fuck!” zegt zo’n hooligan dan, want zulke dingen zeggen zij, “die Parijse watjes geven hooligans een slechte naam.” En ja, het zijn stielbedervers. Een hooligan is niet iemand die op zijn vingers fluit om zijn ongenoegen te uiten, quoi. Een hooligan roept niet boe, zelfs niet onder bedreiging. Een ware hooligan sms’t niet eerst naar huis om te zeggen dat het wat later wordt. Neen, hooligan zijn, da’s een way of life. Dat is leren hard zijn en heel veel oefenen. Je mag pas beginnen snoeven vanaf je vijfde muilpeer. Je moet leren littekens te accentueren zonder dat het opvalt dat je schmink gebruikt. Je slachtoffers zodanig toetakelen dat ze je toch nog feilloos uit de line-up kunnen halen. En dan komt er zo’n deftige notaris uit Parijs die zijn hand vlak naast zijn mond posteert en met “con” op de lippen de voorpagina’s van alle kranten haalt. Het is, en dat was lang geleden, godgeklaagd.

(column Tegen beter weten in, verschenen in De Standaard op 1 juni 2005)

Posted by Geert at 22:41:12 | Permalink | No Comments »

Wednesday, June 1, 2005

Creatief met kurk

Als u twijfelt tussen de dvd van Sideways en het boek… koop de cd. Meesterlijk sexy loungejazz.

 

Posted by Geert at 19:40:48 | Permalink | No Comments »

Groot gelijk heeft u

Groot gelijk heeft u, als u mij omwille van deze en hierboven geposte berichten een bemoeial noemt. Hier vertel ik u naar welke dvd’s het fijn kijken is, weke cd’s het kopen waard blijven, welke boeken u dient te lezen en meer van dat fraais. Als het mij te binnen schiet. Misschien live, terwijl ik luister, kijk of lees. Jaja, mannen kunnen van alles tegelijk doen.

Posted by Geert at 19:38:51 | Permalink | No Comments »

Tweewekelijks op woensdag

Mijn column “Tegen beter weten in” verschijnt tweewekelijks op woensdag in de krant De Standaard (www.standaard.be). Af en toe plaats ik enkele eerder verschenen exemplaren op deze blog.

Posted by Geert at 11:51:37 | Permalink | Comments Off

Porno

 

Ik dacht: laat ik er vandaag eens een wervende titel boven zetten. Het is tenslotte lente voor iedereen. Maar eigenlijk wil ik het helemaal niet over porno hebben. Tja, dat leest u nu pas. Wél heb ik het graag over de vooruitgang en de wetenschap. Hoe. Zo? Het zit zo. Porno is, excusez le mot, altijd al een stuwende kracht in de samenleving geweest. Dat was het vast al honderd jaar geleden, toen het nog een voorrecht was van notabelen en rijken. Historici wijzen ons er graag op met welke overgave chique volk op dat vlak zijn maatschappelijke taak heeft volbracht. Al was porno dan nog een verzamelwoord voor zwart-witfilms waarin wazig flikkerende mannen en vrouwen zich naakt overgaven aan allerlei gekrioel waarvoor de fitnessindustrie nog lang niet genoeg woorden had bedacht. Zonder geluid en op een bereidwillige pianist hoefde je toen echt niet te rekenen.


 

Maar het fenomeen is onbetwistbaar veelvoudig versterkt sinds porno, euh gedemocratiseerd is. Belangrijke ontwikkelingen in de fotografie en de mode hadden met seks en porno te maken, en de geschiedenis van de video-industrie al helemaal. Als VHS het in de jaren zeventig met zo’n gigantische voorsprong van de concurrentie heeft gehaald, was dat grotendeels veroorzaakt door de bijna-afwezigheid van porno bij de alternatieve videosystemen. Of we dat nu leuk vinden of niet.

Internet hebben we natuurlijk allemaal in huis gehaald om niet meer voor ieder moeilijk woord naar de openbare bibliotheek te hoeven lopen en om gemakkelijk de nieuwste vegetarische recepten op te kunnen zoeken. En toch. Volgens de trefwoordenhitlijsten die zoekmachines als Google publiceren staan woorden die met erotiek en porno verwant zijn, hoog bovenaan onze verlanglijstjes. Al zou het kunnen dat u de voorbije dagen vaker op ‘Onur Air’ heeft gezocht.

Nu weet u ook meteen waarom de CB (vragen aan papa, jongens en meisjes) in onbruik is geraakt en waarom die toestellen waarmee radioamateurs hun slaapkamer volstouwen nooit hip zullen worden. Maar wat lees ik vandaag overal? Een boel geruchten en voorspellingen over ,,seks en gsm’s” (ik had gegoogled op ‘gsm’).

Aanbieders van gsm-breedbandverbindingen gebruiken blijkbaar volop porno om nieuwe klanten te lokken. Met al die lelijke gsm-masten die overal te lande als harkerige fallussymbolen verrijzen, hoeft het ons eigenlijk niet te verbazen.

De Franse operator Orange pocht met een enorm aanbod aan videoclips waarin vooral douchende dames en halfnaakt strandgestoei te zien is. Er zijn natuurlijk ook andere filmpjes verkrijgbaar, maar liefst een derde van de gedownloade filmpjes zijn erotisch getint. Vodaphone pakte onlangs uit met pornogames in Duitsland, Griekenland en Portugal. Goed voor 30.000 downloads in de eerste twee maanden. Pas op, het was winter.

Marginaal zou ik dit alles niet noemen. Er wordt verwacht dat de gsm-industrie nog dit jaar meer dan een miljard dollar uit porno zou halen, en zelfs als het iets trager loopt dan verhoopt, zou het totale bedrag tegen eind volgend jaar zeker verviervoudigd moeten zijn.

Waarom vertel ik u dat nu allemaal? Om uw morele verontwaardiging aan te scherpen? Opdat u uw kinderen hun gsm’s zou afnemen? Bijlange niet. Ik vertel u dit om u behulpzaam te zijn bij de beroepskeuze voor uw kroost. Weet u welk beroep ik zou willen uitoefenen, als al deze cijfers binnen een paar jaar - zoals verwacht - correct voorspeld blijken te zijn? Oogarts.

Oogarts, zeg ik u. Heeft u al ooit eens een gsm met dergelijke video- of andere beeldcapaciteiten gezien? Weet u hoe groot zo’n scherm van een gsm is? Neem het van mij aan: met 3 op 2,5 cm hebt u een groot exemplaar te pakken. Als we dus echt met zijn allen massaal naar porno beginnen te kijken op onze gsm, dit verrekend met de gemiddelde vertraging van treinen in de spits, en de stijgende vereenzaming in de maatschappij, dan gaan onze ogen eraan. Het morele verval zal dan wel de minste van onze zorgen zijn, als wij en al onze kinderen met een bril met glazen van -5 rondlopen. We zullen massaal tegen elkaar opbotsen! En gezien we gsm-gewijs aan ons gerief komen, zal dat zo ongeveer nog de enige vorm van sociaal contact zijn.

Maar de toekomst van uw kinderen is gevrijwaard. Hun ogen luiden voor hen niet het verval in. Neen, want u hebt deze column goed gelezen. Geen dank, maar uw schatten worden straks oogarts, of ze dat nu willen of niet. Een beroep met toekomst! Succes gegarandeerd. Als u er alleen aan denkt dat u ze maar beter met een goedkoop model gsm naar school stuurt. Als ik u nog eens een plezier kan doen.

 

(column Tegen beter weten in, verschenen in De Standaard op 18 mei 2005)

Posted by Geert at 11:46:57 | Permalink | No Comments »

Het boze oog

 

Dieren jagen ons de stuipen op het lijf, daar moeten we geen doekjes om winden. We hebben er zelfs woorden voor. Om het draaglijk te maken. Naargelang je last hebt van arachnofobie, ranidafobie of selachofobie, heb je een broertje dood aan spinnen, kikkers of haaien. In het geval van selachofobie misschien wel letterlijk. Maar heeft iemand ooit gehoord van columbofobie? Ga er even voor zitten: ik word niet goed in het gezelschap van duiven.


 

Bijvoorbeeld. Zit ik op een perron te wachten op een trein. De kruimels van mijn broodje vallen op de grond en meteen duiken de beesten van overal op. Ze landen voor mijn voeten en gaan met van die arrogante pasjes de kruimels omcirkelen. Ze pikken hun gratis lunch op en verliezen mij ondertussen geen seconde uit het oog. Want in welke hoek dat duivenkopje ook staat, altijd houden ze één oog op mij gericht. Die grote zwarte pupil met de oranje iris. Heeft iemand trouwens al duiven met twee poten gezien? Ik weet niet wat voor spelletjes die vogels spelen, maar ik denk dat zij een variant kennen op dat ruige kroegspel, waarbij je de vingers van je hand spreidt op een blok hout terwijl de een of andere gek probeert daar een hakmes tussen te planten. In ieder geval, onthou dat: de gemiddelde duif heeft één poot en één stompje.

Maar goed, die duiven zitten me daar aan te staren met dat ene oog, met een blik vol verwijt, terwijl ik ze toch het eten gewoon voor de snavel strooi. En dan heb ik het door: ze weten het! Het is geen vermoeden, geen gok, neen, de duiven zijn perfect op de hoogte. Vijftien jaar geleden heb ik namelijk een duif doodgereden. Niet dat ik een wrok koesterde tegen het dier. Ik reed met de wagen een straat met éénrichtingsverkeer in, jaren voor Zone 30 bon ton zou worden, en zag een duif in het midden van de weg zitten. Ik kwam aangereden en dacht: mijn auto maakt lawaai, die duif ziet hem groter worden, zo meteen vliegt het beest geschrokken op en dan rij ik daar netjes onderdoor. De duif dacht daar anders over. Ze zat daar met een air van ‘heb ik jou daar’. Een duif vraagt zich nooit dingen af als ‘vind je mijn gat niet te dik in die pluimen’. Een duif heeft meer zelfvertrouwen dan goed voor ze is. Dus dacht ze: dat moet één van die vliegtuigen zijn. Hoe luider dat lawaai wordt, hoe hoger die voorwielen de lucht in gaan. En als het oorverdovend wordt, lossen ook die andere wielen hun greep en vliegt dat ding keurig over mij heen.

De duif was fout en ik heb ze dus tot mijn verbazing overreden. Discreet doe je zoiets niet. Ik zie ze nog zitten. Op dat ene moment dat ik dacht: nu moet ze echt wel opstijgen. Toen ik doorkreeg dat ik de enige van ons tweeën was die de situatie juist had ingeschat, zag ik nog net dat ene oog heel erg groot worden. Het hele leven van die duif flitste nog even aan haar voorbij, en ineens zag ik ze niet meer. Meteen daarna zag ik in mijn achteruitkijkspiegel een witgrijze wolk van veren onder mijn auto uit schieten. Niets dan pluimen. Ik ben nog even gestopt om te zien of er nog iets te redden viel, maar zelfs uit culinair oogmerk was de toestand hopeloos. De duif was dood, haar veren hadden al afscheid genomen.

Ik heb me toen niet verontschuldigd, omdat de vogel de excuses reeds ver voorbij was, maar sedertdien gedraag ik mij keurig in het verkeer en ik ben er zeker van dat geen enkel dier nog onder mijn wielen aan een vroegtijdig einde is geraakt. Daarom, duiven, vind ik enige blijk van W iedergutmachung toch op zijn plaats. Vooral dat gedoe met dat boze oog, dat moet echt eens gedaan zijn.

Niet dat ik duiven van de weeromstuit boeiende dieren ben gaan vinden of hen met respect bejegen. Ze kunnen perfect kaartlezen en het zijn de enige wezens die voor geen geld kunnen vliegen zonder over beenruimte te klagen. En wat doen ze als je ze op de trein zet naar het zuiden van Frankrijk? Ze stappen daar uit en keren onmiddellijk terug naar Lotenhulle. Ik heb geen reisbenen, maar dat vind zelfs ik belachelijk.

Het zijn de enige vogels die ooit carrièrekansen kregen maar ze zijn nooit verder geraakt dan wat bijklussen voor de post. Als vredesbrengers deugen ze ook al niet. Hoe lang is het nog geleden dat oorlog en tweedracht werden gestopt door een duif met kruiden in de snavel?

In de pan laten ze zich al helemaal niet van hun beste kant zien, want ze krimpen ongeveer tot een twintigste van hun omvang voor de ajuin goed knisperig is.

Waar ze al die arrogantie dus blijven halen weet ik niet. Het moet maar eens uit zijn. Vreet mijn kruimels, dans rond mijn voeten, toe maar. Maar bewaar dat boze oog voor lui die hun scherptezicht en luchtgeweren oefenen op duiven. En let alsjeblieft een beetje op waar je die poten neerzet.

 

(column Tegen beter weten in, verschenen in De Standaard op 21 april 2005)

Posted by Geert at 11:46:09 | Permalink | No Comments »

HA! (x 3)

 

Naar aanleiding van de Nationale Lachdag op zondag zijn we bestookt met informatie over het fenomeen lachclubs. Er blijken in ons land behoorlijk wat van die clubs aan de weg te timmeren. De lachclubs vertrekken vanuit schone gedachten, waarvoor ik ze een warm hart toedraag. Ze gaan ervan uit dat wij blij zijn omdat we lachen, en niet lachen omdat we blij zijn. Dat is niet uitgesloten. Om van die informatie zo veel mogelijk profijt te dragen, komen ze regelmatig samen om tijdens lachsessies te gniffelen, te schateren en te gieren.


 

Wat kan daar nu op tegen zijn? En toch, laat ik net hier nu afhaken. Want wat hoor ik? Hiervoor doen zij niet, zoals ik had gehoopt, een beroep op komieken of andere professionele vrolijke Fransen. Mensen van het slag Dame Edna, Geert Hoste en Hans Teeuwen nodigen ze niet uit. Nee, ze huren een gediplomeerde lachtherapeut in, iemand die naar school is geweest om mensen te doen lachen. Deze stielbedervers van de humor maken geeneens grapjes. Ze zweren bij lachoefeningen, waarbij mensen in groep van ha-ha-ha en ho-ho-ho gaan doen. Aanstekelijk is dat. Ze hebben het op tv getoond, in Terzake, een programma dat normaal toch niet om te lachen is. Maar ik geloof het niet goed. Je krijgt toch ook geen tandpijn door in groep au-au-au te gaan roepen.

Lachclubbers houden van lachen, maar om dat nu met humor te gaan doen Hoe humorloos moet een mens zijn, om lachen tot een spieroefening te reduceren? Ik zou denken dat er toch huizen vol cd’s, boeken, dvd’s te stouwen zijn met voortreffelijke humor, voor elk wat wils, om maar te zwijgen van het niet stuk te krijgen live entertainment terzake? ‘t Is toch niet dat je er gemakkelijk doorheen raakt. Op mijn iPod alleen staan al vier etmalen comedy. Als ik dat ding vandaag aanzet en zijn gang laat gaan, zijn morgen mijn kaken gescheurd.

Oké, om vandaag nog te kunnen schaterlachen met Molière, Shakespeare of een opera van Mozart heeft een moderne mens een dikke handleiding nodig. Laten we ons dus beperken tot het aanbod van de vorige eeuw. Het is immens. Ongeveer 20 dvd’s van Monty Python. Een paar duizend oneliners van Simon Carmiggelt, Jules Deelder en Freek de Jonge. Het verzameld werk van Urbanus op een dozijn cd’s. Zevenduizend vrijwel identieke, maar onweerstaanbare grappen van Tommy Cooper. Evenveel quotes van Woody Allen. Chérie in het Chinees. Een paar honderd zotte smoelen van Louis de Funès. Zestig uur Seinfeld . Gaston Berghmans die Joske Vermeulen doet. Trammezandlei 124 in Schoten. Ik moet al lachen als ik deze voorbeelden bijeen verzin. Kortom, zelfs voor wie nog nooit heeft gehoord van Bill Hicks, Wim Helsen of Rodney Dangerfield… zelfs voor wie denkt dat Het Geslacht De Pauw echt een documentaire is, vallen er toch al gauw een paar duizend lachuren te vullen met heerlijk vakwerk van mensen die er hun hele leven mee bezig zijn geweest om hun medemens te laten lachen en schateren. Welke emoties moet een mens dan al niet afzweren om dat allemaal opzij te zetten en een beetje cynisch in groep onder zijn oksels en voetzolen te laten kietelen? Heb ik het nu zo verkeerd voor als ik denk dat dat allemaal mensen zijn die veel te weinig op tijd naar de wc gaan?

Ik lach heel graag, wat mij al op menige begrafenis zuur is opgebroken, om maar eens zo’n professional te quoten. En in groep samenkomen om eens goed te lachen lijkt mij dezer dagen een van de nobelste bezigheden die men zich qua escapisme nog kan veroorloven. Maar laten we toch vooral niet te beroerd zijn om elkaar te amuseren, grappen te vertellen, elkaar te vermaken met geestige verhalen, zelf gebeurd en echt verzonnen. Laten we elkaar ongegeneerd citaten uit Blackadder naar het hoofd smijten, flarden uit Buiten de zone en W817 uitwisselen en plezierige anekdotes aaneenrijgen. Van P.G. Wodehouse die zijn brieven gewoon uit het raam gooide omdat Engelsen toch zo beleefd zijn om die op te rapen en in de dichtstbijzijnde postbus te droppen, tot Koen Crucke die onze vorst proficiat wenste omdat die naast hem zijn koninklijk gevoeg kwam doen. En daarna, als we dan echt allemaal zijn uitverteld, laten we dan pas de humor laten voor wat ze is en onze toevlucht nemen tot het kietelen en haha-fitness. Lachen doe je beter niet lettergreep per lettergreep, maar van harte.

Niet dat ik iets heb tegen lachtherapeuten of lachclubs. Maar als ze hier niet mee kunnen lachen, zal het wel weer mijn schuld zijn.

 

(column Tegen beter weten in, verschenen in De Standaard op 23 maart 2005)

Posted by Geert at 11:45:13 | Permalink | No Comments »

Kevin redt de wereld

 

Ik heb te doen met Kevin. Let wel, beste lezer, dat ik hiermee niet bedoel dat er iets moois bloeit tussen ons. Ik heb met hem te doen in de betekenis dat ik me zorgen over hem maak. En was ik daar eerder op gekomen, dan had dat u alvast één paragraaf gescheeld. Ik las dat het gat in de ozonlaag wat groter is geworden boven onze wijk. Dus vroeg of laat moet iemand erachter komen dat zulks de schuld van Kevin is. En zal ik er dan zijn om hem te beschermen tegen de woedende menigte? Zal ik zijn toekomst kunnen verzekeren, ondanks het leed dat hij onze buurt heeft berokkend?


 

Het zit zo: Kevin woont sinds een paar maanden in ons appartementsgebouw. Daar is hij door zijn ouders in een studio gedropt om in de stad te studeren, als een vogeltje dat te vroeg uit het nest is getrapt. Nou, dat zit Kevin dus niet mee. De meest elementaire beginselen van samenleven met mensen die je dialect niet beheersen, zijn hem voor zijn gedwongen vertrek van de haard immers niet medegedeeld.

Niet dat ik hem ’s nachts zachtjes hoor huilen. Ik zie het aan kleine dingen. Hij wordt bijvoorbeeld in de war gebracht door onze stadsgebruiken. U moet zich de ontreddering van Kevin voorstellen toen hij voor het eerst met een plastic zakje etensresten in de afvalkerker van ons flatgebouw kwam. Een grote oranje bak! Twee grote grijze bakken! Drie grote blauwe bakken! Die dag bleek dat Kevin niet kan lezen, want de syndicus van het gebouw heeft een betrekkelijk eenvoudige handleiding der bakken op een A4′tje op de deur gekleefd. Maar dat mocht niet baten. Paniek brak uit en van pure consternatie is hij die dag overgeschakeld op zijn geheel eigen systeem van afval sorteren. In grote trekken komt het erop neer dat hij zijn vuilnis in of rond de afvalcontainer kiepert waar hij het dichtste bij staat.

Ik verdenk hem ervan soms, in een goedmoedige bui, langs de afvalkerker binnen te komen, de verpakking van zijn eten bovenop onze vuilniszakken te gooien en al kauwend in de lift te stappen. Zolang wij Kevin zien kauwen, zijn wij gerust. Iedereen hier herinnert zich nog die nacht dat hij de hal heeft ondergekotst. Trouwens, alles is beter dan zijn gulle gewoonte om op uitgaansavond de wanden van de lift met tabak en marihuana te bekleden, of het zou moeten zijn dat die geur daar gewoon hangt omdat hij er een joint heeft opgestoken. Maar dat zou al te bar zijn, in een rookvrij gebouw.

De vuilnismannen van deze stad staken wel eens, en komen dan met klachten over te veel werk en te weinig centen. Wij weten wel beter. Het is allemaal de schuld van Kevin. De vuilnismannen zijn hem stilaan een ettertje beginnen vinden. Als ze bij ons de container met zakken restafval in de laadbak kieperen, kunnen ze met een beetje verbeelding de week van Kevin reconstrueren aan de hand van de smurrie die hij tussen de reglementaire zakken heeft geprakt. Ofwel moeten ze een stapel papierwerk opstellen omdat hij stadsvreemde vuilniszakken gebruikt. De naam van de stad staat zeer duidelijk op onze vuilniszakken vermeld en er zijn zelfs zakken in omloop met een foto van de burgemeester, voor analfabeten. Maar het is goedkoper voor Kevin om tijdens het weekend bij mama een vuilniszak te stelen, en vergeet het niet: hij leest onze taal niet en vergeet dat de naam van zijn West-Vlaamse honk erop vermeld staat. Dat zien de vuilnismannen niet graag want die moeten maar van één stad de naam kunnen onthouden en daar moet Kevin geen lachertje van maken.

Kortom, Kevin is geen leuke buurman. Als ik kon kiezen, ruilde ik hem vandaag nog in voor zotte Francis, die heden vrijkomt na zeventien jaar cel omdat hij in 1988 zijn hele appartementsgebouw heeft uitgemoord met een pas gescherpt kleurpotlood. Toch probeer ik het voor hem op te nemen, en bedenk dan welke positieve drijfveren ik Kevin zou kunnen toeschrijven om hem te redden uit de handen van briesende buren. Dan zeg ik vast dat hij het allemaal doet voor de werkgelegenheid. Per slot van rekening is er niemand in ons gebouw die meer doet om de poetsvrouw werk te bezorgen. Of dacht u dat hij die kots zelf had weggedweild? Neen, zo is Kevin niet gebriefd. Hij heeft van zijn bikkelharde en genadeloze ouders allicht geen dweil meegekregen. Die slingert nog ergens in het ouderlijke huis, naast zijn manieren.

Mijn buurvrouw vertelt boos dat die Kevin zich nergens aan stoort. Dat hij al die dingen doet en laat omdat hij een asociale vlegel is, die denkt dat de zon uit zijn reet schijnt en dat wij allemaal maar op de wereld zijn gezet om achter zijn rug zijn klussen op te knappen. Maar dat is onzin. Zulke Kevins wonen hier niet.

 

(column Tegen beter weten in, verschenen in De Standaard op 9 februari 2005)

Posted by Geert at 11:01:57 | Permalink | No Comments »