Donderdag, September 25, 2008

Daar sta je van te kieken

De interviewer slikt even en vraagt aan de Nederlanders die in Gent “Vergeten Straat” op scène zetten: “Hoe komt het eigenlijk dat Nederlanders geïnteresseerd zijn in Boon?” Die schreef over Aalst. Over straten in Aalst. Over huizen in straten in Aalst. Oké, laat hem dan de enige naoorlogse Vlaamse schrijver zijn die ooit écht in de running was voor de Nobelprijs, maar: iemand die in een zijstraat woont van zo’n straat heeft daar toch al niets meer aan? Laat staan een Nederlander!

Read more...
Posted by Geert at 22:10:17 | Permanent Link | Comments (0) |

Zondag, Augustus 24, 2008

Den bouw

Al de hele maand steekt Roel de handen uit de mouwen en hij voelt zich beter dan ooit. Roel is de zoon van vrienden van mij en hij heeft net werk gevonden in de bouwsector. Hij begint daar onderaan de ladder, dus ik hoop dat hij die veiligheidshelm niet afzet. Maar onderaan de ladder moest echt wel - aan leren heeft Roel immers altijd een broertje dood gehad en de tiener barst bepaald niet van de diploma’s. Dat kan hem weinig schelen, dat kan ik u wel vertellen. Helpen bouwen heeft hem altijd aangetrokken en hij is niet te beroerd om zich in het zweet te werken. Hij ziet zich best wel hogerop komen in ‘den bouw’, en zolang zijn carrièreklim hem niet weghaalt van de werf, mag dat van Roel.

Mijn vrienden zijn daar niet ongelukkig mee. Ze zijn natuurlijk blij dat Roel eindelijk iets heeft gevonden dat hem van het leven heeft leren houden. Maar ze kijken er toch van op. Zij hebben allebei gestudeerd en hun jobs liggen in het verlengde van hun studies: twee keurige, goed betaalde functies vol uitdagingen in hippe takken van het bedrijfsleven. Het zijn schrandere, pientere mensen die hun intelligentie als hun hoogste goed beschouwen en als ze heel even niet hadden uitgekeken, vandaag intellectuelen waren geweest.

Van Roel hadden ze wellicht hetzelfde gehoopt. En Roel is verstandig en pienter, net als zij. Dus daaraan kan het niet liggen. Maar een job in de bouw, onderaan de ladder, dat is echt niet wat zijn ouders hadden gedroomd. Ze vrezen een beetje dat het afstompend werk is en dat het weinig zoden aan de dijk brengt op LinkedIn.

Nochtans hadden ze het kunnen zien aankomen. Hij zat als kind de hele tijd met Legoblokjes te spelen, waar hij verbluffend getrouwe huizen mee bouwde. Kastelen en ruimtetuigen en treinen, daar moest je bij Roel niet mee aankomen. Autootjes dan weer wel maar die waren slechts voor één ding geschikt: om er zodra Roel de kans zag een garage rond te bouwen. De citaten van Marcel Proust en de hoofdstukken van Noam Chomsky die zijn ouders zo onopvallend mogelijk overal lieten slingeren, daar keek hij niet naar.

Ik heb nooit goed begrepen waarom sommige mensen een lage dunk hebben van bouwvakkers. Misschien moeten de mannen van de bouw inderdaad wat minder vaak met de bovenste helft van hun achterwerk bloot lopen,  maar bouwen, dat moet toch iets fantastisch zijn? Naast onze redactie wordt een groot gebouw opgetrokken, en af en toe zie ik door het raam iets van de vooruitgang van de werken. Ik ben een onhandige kluns, voor wie de eenvoudigste klussen zich voordoen als een kletterende orgie van geheimen en mysteries. Leer mij drie eenvoudige manieren om een muurtje recht te bouwen en ik geef je op een briefje dat ik er ’s anderendaags een scheve bouw, wellicht volgens een vierde methode die ik ongewild zelf heb uitgevonden. Als ik dan kijk naar dat op het eerste gezicht zware, maar beheerste werk, waarbij al die stenen op elkaar langzaam aan muren vormen, dan vind ik dat echt wel iets hebben.

Ik kijk er elke morgen eens naar, en elke avond voor ik naar huis ga. Het is altijd mooi om wat verschil te zien. De vader van een vriendin van me heeft altijd in de wegenbouw gewerkt en de glorietijd van de autosnelwegen nog meegemaakt. Als die man eens met het hele gezin naar de kust reed, kon hij overal stukken snelweg aanwijzen waaraan hij had meegewerkt, en bruggen die hij had helpen bouwen. Nu kom ik wel eens mensen tegen die iets van mij hebben gelezen en zich dat herinneren, en daar geeneens ruzie over willen maken. Maar over een brug rijden die je zelf hebt gebouwd? Dat lijkt me toch nog van een ander kaliber.

Neen, ik zeg het graag: hoed af voor de mensen van de bouw. Tenzij het een veiligheidshoofddeksel betreft, uiteraard.

(verschenen in De Standaard op zaterdag 23 augustus 2008)

 

Posted by Geert at 22:37:13 | Permanent Link | Comments (0) |

Dinsdag, Juli 29, 2008

Snelweglezen

“Overheidscampagnes! Een leuk initiatief!” Dat is zo ongeveer de enige lulkoek die ik nog niet ben tegengekomen op een plakkaat naast de snelweg. Daar moet je de andere auto’s in de gaten houden, de kinderen op de achterbank onder de decibelgrens dwingen en luisteren naar de dingdong verkeersinformatie dingdong – niet de reclamepanelen waar je voorbijrijdt proberen te lezen.
Read more...
Posted by Geert at 09:00:49 | Permanent Link | Comments (0) |

Woensdag, Juli 16, 2008

Indianen

Als de indianen een wat strenger immigratiebeleid hadden gevoerd, dan was het nu niet zo’n puinhoop geweest in Amerika.

Kees van Kooten & Wim de Bie

Had the Indians maintained a stricter immigration policy, then America wouldn't be in such a mess today.

Kees van Kooten & Wim de Bie

Posted by Geert at 14:56:47 | Permanent Link | Comments (0) |

Maandag, Juli 14, 2008

Rietjesman

Er zijn van die mensen bij wie het uitkijken geblazen is zodra ze hun mond opendoen. Meestal hou je dan je hart vast omdat ze altijd wel iets zeggen dat ongepast, ordinair, beledigend of stom is. Voorbeelden daarvan geef ik niet maar u komt vanzelf op de goede weg als u een zin maakt waarin de woorden Hilton, manieren en Paris voorkomen.

 

Read more...
Posted by Geert at 22:42:45 | Permanent Link | Comments (0) |

Vrijdag, Juli 11, 2008

Pijnlijk

Ik ben tot de constatering gekomen dat 'spanning' voor mij is: eerst op het knopje drukken van de Senseo en dan pas het kopje er onder zetten.
Posted by Geert at 12:57:45 | Permanent Link | Comments (0) |

Donderdag, Juni 26, 2008

Het juiste woord

Er zijn maar een paar mensen die ik niet graag tegenkom op een receptie en helaas zijn ze er altijd. De verwarde geest die je er vijf minuten lang van probeert te overtuigen dat je samen met hem heb op school hebt gezeten, en er dan ineens achterkomt dat hij je voor iemand anders heeft aangezien. De luidruchtige brulboei die bij elk vermoeden van een grap zo luid gaat lachen dat de toastjes ondersteboven gaan liggen van pure schrik. De onverlaat die op een eenvoudige, beleefde vraag als ‘hoe maakt u het’ antwoordt met een opsomming van de jongste drie huidziekten waarvan hij het slachtoffer is geweest. En daarvan foto’s mee heeft. En de winnaar van de gouden medaille: de flurk (m/v) die met dertien meningen binnenkomt en als die naar huis gaat zijn ze allemaal op.

Gelukkig is deze laatste gemakkelijk te herkennen. Er staat altijd een groepje rond dat almaar kleiner wordt. De eerste die zich losmaakt van de ergerlijke prater heeft het gemakkelijk. Even iets mompelen dat klinkt als ‘excuseer’ en verdwijnen in de richting van de toiletten doet het al. De tweede en de derde redden zich ook wel. De ene kan doen of er een pit in het verkeerde keelgat is geschoten en de andere kan hem, hevig tussen zijn schouderbladen timmerend, wegsleuren naar iemand die wél het Heimlich-maneuver kent.

Maar wie zich verslikt in de praatvaar is eraan voor de moeite. Laatst raakte ik op een receptie ingesloten in een groepje met zo’n weetal die meteen boven het geroezemoes gaat uitsteken. Hij was overduidelijk de minst politiek correcte van ons vijftal en slaagde erin het gesprek altijd opnieuw af te leiden naar zijn geliefkoosde onderwerp: de zigeuners. Af en toe zong hij er de lof van, zodat hij niet meteen van racisme kon worden beschuldigd, maar dat was louter een list. Zodra hij daartoe kans zag, deed hij het gesprek overslaan naar grove veralgemeningen en dan bleek al gauw dat hij de overtuiging was toegedaan dat iedere zigeuner geboren wordt met één hand in de zak van iemand anders. En dat hij niet snapte dat je zomaar met vijftig woonwagens een braakliggend terrein op rijdt en dan zeurt dat er geen douches of hot spots zijn. Technisch was de man niet erg onderlegd. Toen hij zich hardop afvroeg “waar die gasten zonder huis dan wel hun gsm’s konden opladen” en iemand voorzichtig suggereerde dat zulks wellicht geen probleem is in een moderne woonwagen, barstte hij uit in hoongelach en vroeg waar ze die woonwagens dan wel konden opladen.

Nu verbaasden de uitlatingen van de man mij niet, en eerlijk gezegd begreep ik ook wel waarom niemand van ons groepje enige moeite deed om de man tot andere inzichten te brengen of op zijn minst wat gevoel voor nuance bij te brengen. Het leek niet het type dat vlug bijleert en het was tenslotte voor ons allen een avondje vrij. Wat mij wel verbaasde, is dat niemand er ook maar een opmerking over maakte dat de kerel het woord zigeuner niet één keer juist uitsprak. In plaats daarvan had hij het de hele tijd over zineugers. Een beetje spellingchecker onderstreept dat meteen met rood maar op een feestje ben je voor zoiets toch afhankelijk van een beleefde wenk van een goedmenende gesprekspartner.

De eerste keer dat je het hoort denk je dat het een verspreking is, en laat je de mantels der liefde al aanrukken, maar na een paar keer dringt het door: hij zegt écht altijd zineuger! En na enkele keren wordt het gewoon gênant om er nog iets van te zeggen. Want dan gaat zo’n gozer zich natuurlijk afvragen waarom je daar niet eerder iets van hebt gezegd.

Ondertussen kwam ik ook achter de ware reden waarom de spreker nooit werd tegengesproken of gecorrigeerd. Zijn andere toehoorders stonden daar al een paar minuten met een rode kop hun lach in te houden. Telkens als iemand een goede smoes klaar had om het gesprek te verlaten, zei die kerel weer zineuger in plaats van zigeuner, en dan was het weer een kwestie van bijten op je tong tot het overging.

Ik probeerde nog om hem discreet op het juiste spoor te zetten, door zelf in de fout te gaan. Dan zei ik ‘antuurlijk’ en ‘zeker en vats’ in de hoop dat zulks zijn hersenen zou rebooten zonder dat hij er zelf iets voor hoefde te doen – sommige mensen zijn de grootste vijand van hun eigen hersenen – maar het werkte niet. Onze beleefdheid bleef niet duren. De kerel bracht zichzelf de genadeslag toe. “Maar ja, ik zeg zineuger. En dat moogt ge niet eens zeggen! Ha ja?” riep hij ineens. Wij keken elkaar aan. Was het eindelijk tot hem doorgedrongen? Maar neen, hij hielp ons meteen uit de droom. “Ge moogt dat niet zeggen, zineuger! Hah! Neen, ge moet roma zeggen!” Waarop de ene deed of hij een lens was verloren, een andere wuifde naar een denkbeeldige kennis aan het andere eind en er heen stoof, en ik samen met de rest helaas alleen nog in lachen kon uitbarsten. Niet dat de kerel dacht dat we hem uitlachten, want hij lachte hartelijk mee en proeste: “Ja, belachelijk hé? Roma!” Ik ben weggerend voor hij eraan kon toevoegen dat Roma ook een merk van frituurhapjes was. Mensen uitlachen doe ik niet graag. Dat zijn geen namieren.


 

(verschenen in De Standaard op zaterdag 21 juni 2008)

Posted by Geert at 08:41:50 | Permanent Link | Comments (0) |

Zaterdag, Juni 07, 2008

Dat toontje

Hou het onder ons, maar er is niets mis met een vriendelijke stem die je op een keurige, zakelijke toon iets interessants meedeelt. Dat voorrecht wordt ons evenwel zelden gegund. Niet dat ik er op kick om aan de telefoon te worden afgeblaft als ik een helpdesk bel of ergens anders mijn oor te luisteren leg. Neen, ongelikte beren en gestampte boeren kunnen mij gestolen worden. Niet getreurd: dezer dagen krijgen we hoe langer hoe meer te maken met het andere uiterste.

Read more...
Posted by Geert at 17:30:11 | Permanent Link | Comments (1) |

Zaterdag, May 24, 2008

Miljaar!

Mensen die iets te vaak en veel te lang op café zitten, weten meestal heel goed hoe het komt dat de wereld in moreel verval gesukkeld is. Heel dikwijls kunnen ze aan die oorzaken een indrukwekkende reeks sluitende oplossingen toevoegen. Gelukkig spreken ze al wat onduidelijker zodra het zover komt.

In Nederland bestaan die mensen ook maar er zijn er bij die ook een café bij de grootste tekenen van moreel verval rekenen. Die kunnen terecht bij de Bond tegen het Vloeken. Dat is een vereniging van mensen die heel erg tegen het vloeken zijn. Ze hebben dan ook ooit eens een prijs gewonnen voor verenigingen met een heldere naam. Ik kan nog wel een paar andere prijzen voorstellen die deze vereniging voor mijn part mag winnen, maar ik weet niet of ik dat kan zonder te vloeken. Nochtans, ik vloek niet veel. Gedomme neen. Ik heb mij ook nog nooit gestoord aan vloeken. Onze woordenschat is nu eenmaal bijzonder beperkt als het er op aan komt iets luid en duidelijk te verkondigen wanneer je net met een hamer op je duim hebt geslagen of achteruit tegen een paaltje bent gereden. Het gebruik van krachttermen is volkomen normaal en komt voor in de beste families. Televisiemakers komen uit de beste families. Dus wordt er ook wel eens gevloekt op televisie. En ieder jaar gaat de Bond tegen het Vloeken dat optellen. Ik vind dat een beetje onnozel. Ik ben bijvoorbeeld tegen hondendrollen op straat. Dat wil nog niet zeggen dat ik het nuttig vind om ze tijdens een door de lente en de zon aangemoedigde stadswandeling te tellen. Die lui zijn tegen het vloeken maar als je hun jaarlijks verslag leest, luisteren ze nochtans naar niets anders. Ze zijn tuk op turven.
Zo weten we nu officieel dat er in 2007 wekelijks 2.327 keer gevloekt of gescholden is op de Nederlandse tv. Dat is verdomd veel, dat besef ik ook wel. Dat was 8 procent meer dan in 2006 maar in 2006 werd er liefst 13 procent meer gevloekt dan in 2005 dus dat leidt tot een verbluffende conclusie: dat het compleet zinloos om te tellen hoeveel keer er op tv gevloekt wordt. Niet zinlozer dan te tellen hoeveel keer er asjemenou of tweeverdiener of ochtendspits wordt gezegd op televisie, maar zeker niet zinvoller. Als een personage grof uit de hoek moet komen, dan kun je moeilijk van de acteur verwachten dat hij zich bedient van een taal waaraan niemand aanstoot kan nemen. Als er een heetgebakerde racist wordt opgevoerd in een serie kun je die moeilijk zinnen in de mond leggen als ‘ze moesten al die mensen van een andere huidskleur en lui wier cultuur andere klemtonen legt dan de onze maar meteen over de grens zetten'. Dat zou even geloofwaardig zijn als een zachtmoedige en godsvruchtige zielenherder neerzetten die iedereen aanspreekt met schijtlaars of stom kalf. Dat snappen ze niet bij die Bond tegen het Vloeken. Dat kan ook niet want ze hebben het veel te druk met vloeken tellen om er ook nog eens over na te denken. Negentig jaar bestaat die Bond al, en hij is ooit opgericht omdat iemand vond dat sommige mensen gekwetst worden als ze iemand godverdomme of nondedju horen zeggen. Hadden ze in 1917 nu eens nagedacht over hoe je kan voorkomen dat mensen zich door zulke onnozelheden gekwetst voelen en daarvoor een stuk of wat handige sneltherapietjes hadden bedacht, dan leefden we vandaag in een betere wereld met alvast een paar honderdduizenden lange tenen minder. In plaats daarvan orakelen ze een kleine eeuw later dat god zich gekwetst voelt als zijn naam ijdel wordt gebruikt - toch een weinig respectvolle appreciatie van een opperwezen. Bovendien is vloeken wel de minst schadelijke van alle manieren waarop de naam van god dezer dagen wordt misbruikt.   
Niemand weet hoe het precies zit met god en het hiernamaals, maar stel dat die van de Bond tegen het Vloeken het juist voor hebben en na hun levenseinde op sandalen voor god moeten verschijnen. Mijn kop eraf als die dan niet zegt, na het lezen van hun cv: "O, was u dat die ooit satanischeboodschappen hoorde op een plaat van K3? En stond u niet slogans tegen het vloekente roepen bij de ingang van voetbalstadions? Ach, van mij mag u best de hemel in. Maar ik ben bang dat u het er te leuk zal zult vinden. Dju toch!" En als daar dan een knipoog op volgt, een bulderlach en een woeste tik op de schouder van het Bondlid, dan bestaat god alweer een beetje meer.    
     

(verschenen in De Standaard op zaterdag 24 mei 2008) 
Posted by Geert at 17:39:07 | Permanent Link | Comments (0) |

Vrijdag, May 16, 2008

Zo is er geen één

Ik heb het van horen zeggen, maar het schijnt dat Nicole en Hugo Pastorale naar de top hebben gezongen in Zo is er maar één op, euh… één. Ondertussen heb ik hun lied ook gezien en gehoord, en ik moet zeggen dat het succes ze zeer gegund is. Die twee zingen een liefdeslied alsof ze in een warm bad zitten en schuim in elkaars ogen mikken, schoon dat dat is. Meer moet dat niet zijn. Toch niet altijd. “Er zal minder met ons gelachen worden,” zei Hugo, maar er wordt al langer niet zo hard meer om Nicole en Hugo gelachen. Daar zijn ze te sympathiek voor. We lachten ook nooit echt met die liedjes, Hugo, maar eerder met jullie door oosterse fast food geïnspireerde kleren. Die gekke broeken! Die rare hemden! Die oogverblindende jurken! En Nicole had vaak ook iets aparts aan.

Read more...
Posted by Geert at 11:02:18 | Permanent Link | Comments (0) |