Al de hele maand steekt Roel de handen uit de mouwen en hij voelt zich beter dan ooit. Roel is de zoon van vrienden van mij en hij heeft net werk gevonden in de bouwsector. Hij begint daar onderaan de ladder, dus ik hoop dat hij die veiligheidshelm niet afzet. Maar onderaan de ladder moest echt wel - aan leren heeft Roel immers altijd een broertje dood gehad en de tiener barst bepaald niet van de diploma’s. Dat kan hem weinig schelen, dat kan ik u wel vertellen. Helpen bouwen heeft hem altijd aangetrokken en hij is niet te beroerd om zich in het zweet te werken. Hij ziet zich best wel hogerop komen in ‘den bouw’, en zolang zijn carrièreklim hem niet weghaalt van de werf, mag dat van Roel.
Mijn vrienden zijn daar niet ongelukkig mee. Ze zijn natuurlijk blij dat Roel eindelijk iets heeft gevonden dat hem van het leven heeft leren houden. Maar ze kijken er toch van op. Zij hebben allebei gestudeerd en hun jobs liggen in het verlengde van hun studies: twee keurige, goed betaalde functies vol uitdagingen in hippe takken van het bedrijfsleven. Het zijn schrandere, pientere mensen die hun intelligentie als hun hoogste goed beschouwen en als ze heel even niet hadden uitgekeken, vandaag intellectuelen waren geweest.
Van Roel hadden ze wellicht hetzelfde gehoopt. En Roel is verstandig en pienter, net als zij. Dus daaraan kan het niet liggen. Maar een job in de bouw, onderaan de ladder, dat is echt niet wat zijn ouders hadden gedroomd. Ze vrezen een beetje dat het afstompend werk is en dat het weinig zoden aan de dijk brengt op LinkedIn.
Nochtans hadden ze het kunnen zien aankomen. Hij zat als kind de hele tijd met Legoblokjes te spelen, waar hij verbluffend getrouwe huizen mee bouwde. Kastelen en ruimtetuigen en treinen, daar moest je bij Roel niet mee aankomen. Autootjes dan weer wel maar die waren slechts voor één ding geschikt: om er zodra Roel de kans zag een garage rond te bouwen. De citaten van Marcel Proust en de hoofdstukken van Noam Chomsky die zijn ouders zo onopvallend mogelijk overal lieten slingeren, daar keek hij niet naar.
Ik heb nooit goed begrepen waarom sommige mensen een lage dunk hebben van bouwvakkers. Misschien moeten de mannen van de bouw inderdaad wat minder vaak met de bovenste helft van hun achterwerk bloot lopen, maar bouwen, dat moet toch iets fantastisch zijn? Naast onze redactie wordt een groot gebouw opgetrokken, en af en toe zie ik door het raam iets van de vooruitgang van de werken. Ik ben een onhandige kluns, voor wie de eenvoudigste klussen zich voordoen als een kletterende orgie van geheimen en mysteries. Leer mij drie eenvoudige manieren om een muurtje recht te bouwen en ik geef je op een briefje dat ik er ’s anderendaags een scheve bouw, wellicht volgens een vierde methode die ik ongewild zelf heb uitgevonden. Als ik dan kijk naar dat op het eerste gezicht zware, maar beheerste werk, waarbij al die stenen op elkaar langzaam aan muren vormen, dan vind ik dat echt wel iets hebben.
Ik kijk er elke morgen eens naar, en elke avond voor ik naar huis ga. Het is altijd mooi om wat verschil te zien. De vader van een vriendin van me heeft altijd in de wegenbouw gewerkt en de glorietijd van de autosnelwegen nog meegemaakt. Als die man eens met het hele gezin naar de kust reed, kon hij overal stukken snelweg aanwijzen waaraan hij had meegewerkt, en bruggen die hij had helpen bouwen. Nu kom ik wel eens mensen tegen die iets van mij hebben gelezen en zich dat herinneren, en daar geeneens ruzie over willen maken. Maar over een brug rijden die je zelf hebt gebouwd? Dat lijkt me toch nog van een ander kaliber.
Neen, ik zeg het graag: hoed af voor de mensen van de bouw. Tenzij het een veiligheidshoofddeksel betreft, uiteraard.
(verschenen in De Standaard op zaterdag 23 augustus 2008)